Energiebehoefte in struisvogelvoeding

Op figuur 2 is een schema weergegeven hoe energie opgesplitst wordt na opname door de struisvogel. Als bruto energie (BE) beschouwen we de hoeveelheid energie in een voeder die kan vrij gemaakt worden na totale verbranding. Het spreekt voor zich dat een struisvogel niet al die energie voor productie zal kunnen gebruiken, maar dat hierbij verliezen optreden.
Eens de struisvogel het voeder heeft opgenomen, moet het nog verteerd worden. Hier komen we op het punt van de fermentatie. Vogels die niet over fermentatiemogelijkheden beschikken gaan een deel van de bruto energie in het voeder ongebruikt laten, zoals bijvoorbeeld ruwe celstof en niet-eiwit-stikstof. Voor hen is deze restfractie een vorm van extra belasting van het spijsverteringsstelsel. Struisvogels kunnen een groot deel van deze fractie wel benutten en het ligt dan voor de hand dat het benutten van die capaciteit door het geven van ruwvoeder kostenbesparend kan werken voor de struisvogelhouder. De kans bestaat dat zeer geconcentreerd voeder misschien wel een betere groei bewerkstelligt, maar dat dit ten eerste minder efficiënt gebeurt dan bij andere vogels omdat in dit geval de fermentatie een overbodige en ook verspillende tussenstap is, en dat dit ten tweede de voederkost opdrijft.

Het verteerbare deel wordt doorheen de darmwand opgenomen, maar een stuk van deze verteerbare energie (VE) kan echter niet door het lichaam benut worden en wordt via de urine afgevoerd. Ook de gassen die zich door allerhande processen in het maagdarmstelsel ontwikkelen zoals fermentatiegassen, moeten als een verliespost beschouwd worden. Opvallend is dat van struisvogels is aangetoond dat ze, in tegenstelling tot herkauwers, geen of nauwelijks methaangas produceren.

Van de voor het lichaam beschikbare energie (metaboliseerbare energie (ME)) gaat uiteindelijk nog een fractie verloren onder de vorm van warmte. Dit is trouwens ook het geval bij de vorige stappen omdat het opeten van het voedsel en een hele reeks biochemische en fysiologische processen ook energie vereisen. Hierbij wordt een evenredige hoeveelheid warmte vrijgezet. Het vrijzetten van die warmte is noodzakelijk opdat de struisvogel zijn lichaamstemperatuur zou kunnen handhaven.

Wat dan nog over is voor onderhoud, productie en reproductie noemt men de netto energie (NE).
Uit deze beschrijving zou duidelijk moeten worden dat allen de bruto energie hetzelfde is voor elke diersoort. Verteerbaarheid en metaboliseerbaarheid zijn dierspecifieke factoren (figuur 3).

Behoefte voor onderhoud
De behoefte voor onderhoud hangt vooral af van de hoeveelheid weefsel die moet onderhouden worden. Practisch gezien betekent dit dat de onderhoudsbehoefte evenredig stijgt met het lichaamsgewicht. Een gevolg van dit principe is dat bijvoorbeeld legkippen een vrij klein lichaamsgewicht hebben opdat de pluimveehouder dierdoor kan besparen op de voederkosten voor het onderhoud van de legkippen Voor vleeskippen ligt hierin een probleem : enerzijds moeten ze zo snel mogelijk groeien, maar anderzijds mogen de ouderdieren niet te zwaar worden opdat de voederkosten niet te groot zouden worden. Naast andere mogelijkheden kan de tactiek toegepast worden om de dieren in kwestie zo te manipuleren dat ze hun slachtrijpe gewicht zo efficiënt mogelijk bereiken en daarna nog weinig groeien, zodat de dieren die gebruikt gaan worden voor de kweek geen te grote onderhoudsbehoefte krijgen. Dit kan een tip zijn voor de selectie van struisvogels.

Behoefte voor groei
De behoefte voor groei wordt bepaald door de groeisnelheid, met andere woorden de dagelijkse gewichtsaanzet. Gezien de gevoeligheid van struisvogelkuikens voor pootproblemen is het belangrijk de voeding niet te "sterk" te maken, zodat de groeisnelheid niet te groot is. Ook naar het einde toe van de vetmestperiode is dit aan te raden omdat dit ten goede komt aan de ontwikkeling van de huid alias het leder. De struisvogel is dus een ideaal dier om te besparen op dure voederingrediënten die een sterke groei veroorzaken. Het rendeert meer om te zoeken naar goedkopere voeders met toch voldoende eiwit (zie hierna) waarbij een snelle groei niet nodig is om winstgevend te worden.
Sommige (buitenlandse) auteurs beweren het tegendeel, namelijk dat ruwvoedergifte moet beperkt worden omdat het transport en de stockage ervan te veel kosten en omdat het de groei vertraagt. Enerzijds kunnen in de Belgische situatie de evenwichten vaak anders liggen. Anderzijds is het niet op alle struisvogelbedrijven evident om ruwvoeder te verstrekken. Dit kan echter opgelost worden door net zoals bij paarden en konijnen een hoeveelheid vezel in het mengvoer (zij het korrel of meel) te mengen. Anders gezegd komt dit er op neer dat in dat meng voeder zelf goedkopere grondstoffen kunnen gebruikt worden.

Behoefte voor leg
Het is voordehandliggend dat de hoeveelheid energie die nodig is voor de leg volgt uit het eigewicht en de hoeveelheid eieren (het legcijfer).


Terug
Last updated: 1-4-98