De voedingsrelevante anatomie van struisvogels

Het is nuttig om eens te overlopen hoe het verteringsapparaat van struisvogels zich situeert ten opzichte van andere dieren. Hierdoor komen specifieke kenmerken naar boven die via de voeding kunnen uitgebuit worden ten voordele van de conditie en ontwikkeling van het dier (de dierefficiëntie), maar ook ten voordele van de struisvogelhouder (economische efficiëntie).

Gewervelden
Vogels
Loopvogels


Gewervelden

Het maagdarmstelsel van gewervelde dieren kan beschouwd worden als een grillig gevormde buis die door het lichaam loopt. Via de mond gaat het voedsel naar binnen en komt via de slokdarm in het maagstelsel terecht waar op chemisch en mechanische wijze het voedsel afgebroken wordt om dan in het maagstelsel en verderop in de dunne en dikke darm te kunnen geabsorbeerd te worden. De restfractie die uiteindelijk terug naar buiten komt, bestaat uit niet-geabsorbeerde voederbestanddelen en door het lichaam terug afgegeven afvalstoffen.

Vogels

Vogels hebben door de eeuwen meerdere specifieke lichaamsfuncties ontwikkeld om het vliegen mogelijk te maken. Uiteraard denken we in de eerste plaats aan vleugels en veren. Andere aanpassingen die misschien minder vlug opvallen hebben te maken met de beperking van het energieverbruik en de continuïteit van energievoorziening.
De herverdeling van het lichaamsgewicht om het lichaam aërodynamischer te maken, toont zich ten eerste in de afwezigheid van tanden in de bek. Die worden "vervangen" door de spiermaag, die net als tanden het voeder fijnmaalt, maar zich meer naar achter in het lichaam bevindt dan tanden. Ten tweede - en hiermee samenhangend- is het gewicht van de kop ook verminderd doordat er geen sterk ontwikkelde kaakspieren en -beenderen nodig zijn.
Nog een aanpassing om energie te besparen is de beperkte lichaamsgrootte en het holle beendergestel.
De energievoorziening wordt op minstens twee vlakken verzekerd : de krop zorgt voor een voorraad aan voedsel en de luchtzakken aan de longen zorgen voor een extra zuurstofvoorziening tijdens de vlucht.
Een fenomeen bij vogels dat zowel met energiebesparing als -voorziening te maken heeft, is het in volume en gewicht beperkte spijsverteringsstelsel. Een gevolg hiervan is dat de meeste vogels een vrij geconcentreerde voeding nodig hebben.

Loopvogels

Loopvogels hebben door de evolutie heen hun vermogen verloren om te vliegen. Vermoed wordt dat dit een gevolg is van een uitgestrekt leefmilieu waar bovendien niet zoveel natuurlijke vijanden aanwezig waren.
Bij loopvogels merken we op zijn minst overblijfselen van de hierboven vermelde aanpassingen om te kunnen vliegen, maar de evolutie is hier een andere kant uitgegaan. Struisvogels zijn neotene dieren, wat betekent dat loopvogels in de loop der tijden hun metabole ontwikkeling steeds vroeger stopten, hoewel ze toch geslachtsrijp werden. Deze zogenaamde neotenie is een aanpassing die bij veel diersoorten voorkomt als een aanpassing om te kunnen overleven in een relatief nieuwe en vlug veranderende omgeving. Andere voorbeelden van neotene dieren zijn de axolotl (een amfibie die niet verder ontwikkelt dan een dikkopstadium), vele van onze geselecteerde huisdieren en ... de mens zelf.
De neotenie bij loopvogels heeft bijvoorbeeld gemaakt dat de vleugels zich weinig ontwikkelen en dat het verenkleed overeenkomt met dat van kuikens : onder de vleugels en op de nek zijn veelal weinig of geen veren te bespeuren, wat een efficiënte ontwikkeling is vanuit het oogpunt van loopvogels.
Loopvogels hoeven ook niet zo veel in te zitten met hun gewicht of lichaamsgrootte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij - de kiwi buiten beschouwing gelaten - tot de reuzen onder de vogels behoren. Hun groot formaat schept letterlijk en figuurlijk de ruimte om aan fermentatie te doen. Het grote voordeel hiervan is dat loopvogels kunnen overleven op minder geconcentreerd voedsel doordat ze er meer van kunnen opnemen en de microörganismen die in hun darmstelsel ontwikkelen er meer voedingswaarde kunnen uitpuren.
Die fermentatie komt voor de meeste soorten loopvogels, maar heeft zich ondanks uiterlijke gelijkenissen van deze vogels vaak toch anders ontwikkeld.
Op de tekening is het spijsverteringsstelsel van de nandoe, de emoe en de struisvogel naast mekaar afgebeeld. Wat onmiddellijk opvalt is dat deze drie loopvogels misschien naar een gelijkende gestalte geëvolueerd zijn, maar daarentegen op het vlak van de spijsvertering toch hun eigen weg gegaan zijn. Bemerk dat de struisvogel in vergelijking met zijn twee soortgenoten een opvallend uitgebreide dikke darm bezit. Tesamen met zijn redelijk grote blindzakken lijkt de struisvogel het beste uitgerust om ruwe celstof te fermenteren. De nandoe kan ook aan fermentatie doen, maar uitsluitend in de blindzakken, die dan wel behoorlijk ontwikkeld zijn. De emoe heeft niet zo'n grote blindzakken en zeker geen grote dikke darm. Daarentegen beschikt hij wel over een lange dunne darm en het is aangetoond dat daarin inderdaad ook fermentatie plaatsvindt. Dit lijkt minder logisch aangezien het microklimaat dat nodig is voor fermentatie niet optimaal is voor de andere functies van de dunne darm, zoals absorptie van aminozuren en dergelijke.
Terug
Last updated: 1-4-98