Mededeling nr. 103 Landbouw nr. 3

Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw

Mestanalyses blijven een noodzaak met het oog op een goede landbouwpraktijk

 

ir. Els Stevens, ir. Jan Bries1 , ir. Ludo Van Ongeval1

De juiste samenstelling van dierlijke mest is sinds de invoering van het mestdecreet een steeds belangrijker begrip geworden. Gegevens over de samenstelling van de mest worden door de landbouwer gebruikt om de aanvoer van organische stof en nutriënten op zijn percelen op te volgen. Ook in het kader van burenregeling en LAT-transport worden de gegevens op het transportdocument vermeld om zo een exacter beeld te krijgen van de nutriëntenstroom tussen bedrijven. Bovendien kunnen de resultaten van de mestsamenstelling een interessant hulpmiddel zijn ter bijsturing van het bedrijfsmanagement naar voeding en voerinstallaties.
Het aantal mestontledingen is de afgelopen 10 jaar sterk toegenomen, mede onder impuls van de provinciale overheden die de ‘actie mestontleding’ financieel ondersteunen.
In vele gevallen wordt er echter nog uitgegaan van de gemiddelde samenstelling van dierlijke mest. Aangezien de samenstelling van de mest echter door een hele reeks factoren wordt beïnvloed, blijkt deze gemiddelde samenstelling vaak niet richtinggevend.

In deze mededeling wordt per bedrijfstak verder ingegaan op de recente ontledingsuitslagen. De tendenzen en variaties in de mestsamenstelling worden besproken en verklaard.

Varkenshouderij
Het grootste aantal analyses op mest wordt nog altijd uitgevoerd voor varkenshouders. Hoewel het merendeel van de dieren met commercieel gelijkaardige voeders worden gevoederd, zijn er toch grote variaties in de samenstelling van de verschillende stalen. Een aantal bronnen van variatie is terug te brengen tot bedrijfsgebonden factoren zoals huisvesting, voersystemen,...
Doorheen de jaren is er een tendens tot een hoger drogestofgehalte van de varkensdrijfmest. Uit de informatie van de enquêtes en de mestanalyses mogen we concluderen dat het waterverbruik sterk kan worden gereduceerd door het gebruik van brijbakvoeding. Het drogestofgehalte bij brijvoeding lag 1,8% hoger dan bij droge voeding. Andere waterbesparende systemen zoals nippels met morsbak, leiden ook tot een iets hoger drogestofgehalte dan nippels zonder morsbak.
Onder impuls van het MAP zijn in het voorjaar van 1996 de meeste mengvoerfabrikanten overgeschakeld op fosforarm voeder. Aangezien mestanalyses vooral in het voorjaar uitgevoerd worden, is het effect van fosforarm voeder pas aan te tonen met de analyses van het voorjaar 1997. In tabel 3 met de gemiddelde samenstelling van de mestsoorten werd een onderscheid gemaakt tussen vleesvarkensmest en vleesvar-kensmest fosforarm, waaruit blijkt dat bij deze laatsen het fosforgehalte bijna 8% lager ligt.
Uit de opvolging van de ‘Actie mestontleding’ in de provincie Antwerpen, blijkenenkele duidelijk aantoonbare tendensen in de samenstelling van vleesvarkensmest. Sinds 1994 is er een stijging van het drogestofgehalte van de mest. Verder zijn er de evoluties in de belangrijkste elementen: stikstof, fosfaat en kalium.


Zo zien we van 1996 naar 1997 bij de absolute gehaltes aan totale stikstof, minerale stikstof en fosfor in de mest een dalende trend. Bekijken we deze gehaltes relatief ten opzichte van het drogestofgehalte van de mest dan kan deze tendens ook statistisch aangetoond worden. Ondanks de daling van het minerale stikstofgehalte zit er toch verhoudingsgewijs meer minerale stikstof in de totale stikstof. We mogen dus stellen dat de stikstof in de mest beter benutbaar wordt. Deze laatste tendens is ook terug te vinden bij het element kalium. Hierbij is de daling van het kaliumgehalte echter zowel absoluut als op de droge stof aan te tonen.
De conclusies van deze tendensen zijn:

Rundveehouderij

Een ander groot deel van de mestanalyses komt uit de rundveesector. De variaties in samenstelling en de oorzaken ervan zijn minder goed te verklaren dan bij varkens. In de enquête werd gevraagd naar de rantsoensamenstelling en het waterverbruik. Het blijkt dat de samenstelling van het opgegeven rantsoen in de praktijk erg uiteenlopend is. Een deel van de variaties in de mest is zeker terug te brengen tot de variaties in ruwvoeders en de variaties in rantsoensamenstelling.
In tegenstelling tot varkensmest is rundveemest stabieler in samenstelling. Het drogestofgehalte heeft bij rundveemest een lagere variatie (de standaardafwijking is een maat voor deze variatie) waardoor er ook een lagere variatie in de samenstellende elementen optreedt. Voor de belangrijkste elementen krijgen we volgende gemiddelde gehaltes: stikstof 5,45 kg/1000l, fosfaat 1,44 kg/1000l en kali 4,64 kg/1000l (tabel c).
Eén van de weinige aantoonbare tendensen betreft het kali-gehalte. Rantsoenen met een groot aandeel aan graslandproducten blijken mest met een hoger kali-gehalte te geven. Rantsoenen met daarentegen veel draf of bietenpulp geven mest die zo’n 6% minder kalium bevat.

Pluimvee- en kleinveehouderij

De pluimveesector vertegenwoordigt slechts een klein deel van de uitgevoerde mestanalyses. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen legkippenmest enerzijds en vleeskuikenmest anderzijds.
Bij de legkippenmest wordt er een onderscheid gemaakt naargelang het drogestofgehalte van de mest. Dit drogestofgehalte wordt in belangrijke mate beïnvloed door het staltype: deep-pit stallen, mestbanddroging, watervermorsing,... De gemiddelde samenstelling is terug te vinden in tabel 3.
Voor de vleeskuikens heeft men veel minder variatie in de drogestof van de mest. Hier is de mestsamenstelling voor een deel bepaald door het type strooisel (houtkrullen of stro) en de daar-

Tabel B: Samenstelling van houtkrullen, stro en vleeskuikenmest (kg/1000 kg product)

Strooisel

Vleeskuikenmest op

(kg/1000
kg product)

hout-krullen

stro

hout-krullen (n=13)

stro

(n=11)

Droge stof

888

870

599.2

584.6

Organische stof

500.6

473.7

Totale N

2.02

5.5

30.5

27.8

Minerale N

5.6

5.2

P2O5

0.35

2.0

19.3

22.6

K2O

0.70

15.4

17.0

20.6

MgO

0.40

0.9

5.7

6.0

CaO

1.45

1.8

17.4

22.5

Na2O

0.23

0.3

2.7

3.9

van gebruikte hoeveelheid per ronde.

In tabel 2 zien we dat stro een hoger gehalte bevat aan stiksof, fosfaat en kali. Deze verschillen zijn, zij het in geringe mate, ook terug te vinden in de mestsamenstelling. Het effect van het strooisel blijft echter nogal beperkt aangezien het slechts 10 tot 15 % van de mest uitmaakt.

Universele oorzaken van variatie in mestsamenstelling

Variatie in mestsamenstelling wordt voor een deel teruggebracht naar de variatie tussen verschillende bedrijven. Om een goed beeld te krijgen van de mestsamenstelling is het belangrijk te weten dat er ook variatie kan optreden binnen één enkel bedrijf. Het tijdstip van bemonstering is zonder meer een bron van variatie. Een volle of een halfvolle mestkelder, winter- of zomerrantsoen bepalen soms in belangrjke mate de inhoud van de mest.

Het ontmengen van de mest na lange opslag kan zo een vertekend beeld geven van de inhoud van de mestopslag. Een goede staalnamemethodiek die rekening houdt met ontmenging (verticale variatie) en aanvoerpunten (horizontale variatie), kan de variatie beperken. De gegevens uit de enquête laten zien dat dankzij een goede staalnamemethodiek er quasi geen verschil is tussen de stalen uit al dan niet gemixte kelders. Bij het uitrijden van de mest (bemestingswaarde) moet echter wel rekening gehouden worden met de ontmenging. Dit euvel kan worden opgevangen door, indien mogelijk, te mixen of toevoegmiddelen te gebruiken.

Mestontleding, bemesting en mestwetgeving

Traditioneel wordt er nog veel gewerkt met de gemiddelde samenstelling van mest, zowel bij bemesting als bij afzet van mest. Gezien de soms grote variatie is het dikwijls nuttig om via mestontleding een exactere mestsamenstelling te kennen. Vooral in het geval van rijke mest heeft iedereen baat bij een mestontleding. Het betekent niet alleen een besparing op bemestingskosten maar ook naar afzet toe kan het aantonen van rijkere mest een kleiner afzetvolume verantwoorden.

Wat de bemesting op perceelsniveau betreft, geeft een mestanalyse bovendien bijkomende informatie over de bemestingswaarde van de mest in functie van het bodemtype, toedieningstijdstip en gewas.

Deze mededeling kwam tot stand met de medewerking van alle Vlaamse provincies die de analyse van meststalen financieel ondersteunen.

Tabel C: Gemiddelde samenstelling en standaardafwijking van dierlijke mest in kg/1000 l voor vloeibare mest en kg/1000 kg product voor vaste mest.
Analysen Bodemkundige Dienst van België januari 1996- augustus 1997.

Mestsoort
(aantal stalen)

Droge stof

Org. stof

Totale N

Minerale N

P2O5

K2O

MgO

CaO

Na2O

Drijfmest

Runderen

(kg/1000l)

87.68

63.90

5.45

2.96

1.44

4.64

0.89

1.57

0.64

(726)

standaardafw.

25.28

18.95

1.25

0.90

0.49

1.06

0.26

0.66

0.28

Kalveren

(kg/1000l)

22.24

11.51

2.79

1.94

1.37

3.20

0.45

0.65

1.08

(27)

standaardafw.

17.25

12.49

1.44

0.78

1.52

1.02

0.75

0.97

0.44

Vleesvarkens

(kg/1000l)

85.81

56.73

8.97

5.10

5.02

5.33

1.69

3.82

1.15

(724)

standaardafw.

37.68

25.91

2.87

1.85

2.45

1.68

0.70

2.65

0.49

Vleesvarkens fosforarm

(kg/1000l)

90.11

59.92

8.63

5.17

4.64

5.46

1.79

3.97

1.30

(311)

standaardafw.

38.65

28.17

2.68

1.74

2.14

1.69

0.69

2.62

0.54

Zeugen

(kg/1000l)

52.28

32.97

5.06

2.71

3.60

2.83

1.16

2.79

0.76

(325)

standaardafw.

31.53

17.16

1.60

0.87

2.25

0.89

0.64

2.33

0.35

Zeugen fosforarm

(kg/1000l)

63.78

39.46

5.13

3.03

4.11

2.92

1.37

4.03

0.87

(28)

standaardafw.

39.38

20.73

1.83

1.29

2.97

1.01

0.76

4.02

0.34

Kippen

(kg/1000l)

123.17

81.33

11.24

7.64

5.86

4.64

1.59

11.46

0.92

(26)

standaardafw.

45.83

30.21

2.37

2.17

2.23

0.78

0.56

6.97

0.40

Vaste mest

Kippen (%DS<50)

(kg/1000kg)

390.22

285.80

20.79

4.99

16.52

12.25

4.42

29.93

2.05

(46)

standaardafw.

78.83

65.57

6.05

1.96

5.83

4.12

1.26

14.79

1.14

Kippen (%DS>50)

(kg/1000kg)

653.67

482.38

29.47

4.77

25.69

19.74

7.02

47.39

3.71

(80)

standaardafw.

96.35

93.98

8.22

1.75

7.40

5.20

2.00

17.73

1.83

Vleeskuikens

(kg/1000kg)

603.98

501.10

30.29

5.56

20.68

18.88

5.74

18.51

2.92

(95)

standaardafw.

100.34

97.16

6.80

1.43

4.28

3.80

1.03

6.63

1.33

Runderen

(kg/1000kg)

235.86

167.29

7.18

1.80

3.24

7.26

1.52

4.40

0.86

(120)

standaardafw.

59.82

41.60

1.79

0.71

1.59

2.97

0.71

2.62

0.69