RESULTATEN VAN DE BEZETTINGSPROEF BIJ VLEESKUIKENS
Ir. Johan Zoons,
Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw, Provincie Antwerpen
INLEIDING
Van april 1996 tot maart 1997 is op het Proefbedrijf voor de Veehouderij van de Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw van Antwerpen, gedurende 6 rondes, aandacht geschonken aan de invloed van de bezettingsdichtheid op het productieresultaat bij vleeskuikens.
Uit Nederlands praktijkonderzoek van 1995 blijkt dat de meest aangewezen bezetting ca. 20 dieren per m² bedraagt wanneer men kuikens afmest tot 42 dagen en men niet uitlaadt (zie tabel 1). De technische productieresultaten en het saldo per opgezet kuiken nemen af met de hogere bezettingen, maar het saldo per m² staloppervlakte was maximaal bij een bezetting van 20 kuikens per m².
Uit gegevens van de Dienst Landbouwvoorlichting (DLV) van Nederland blijkt dat het onmogelijk is om een optimale bezettingsdichtheid voorop te stellen die voor iedereen kan gelden.
Uit de analyse van de financiële bedrijfsresultaten van praktijkbedrijven uit Nederland blijkt zelfs dat de groep met 20 kuikens per m² minder goede resultaten haalt dan de groepen met 18, 22 of meer kuikens per m². Hieruit werd besloten dat het financiële resultaat in hoofdzaak door het algemeen management wordt bepaald en niet door de bezetting alleen. De hogere bezettingen werden meestal gehandhaafd op bedrijven met een globaal beter management.
In de meeste onderzoeken, tot nu toe uitgevoerd, werden kuikens bij een verschillende bezetting in eenzelfde stal gehouden. De dieren zaten meestal in afgescheiden compartimenten waarbij aandacht werd geschonken aan factoren zoals groepsgrootte, aantal drinkpunten en voergootlengte per kuiken. De verschillende groepen werden echter aan dezelfde klimaatcondities onderworpen.
De invloed van het stalklimaat (relatieve vochtigheid, temperatuur, gasconcentratie) op de bezetting is vaak niet meegenomen in het onderzoek. Uit een veldstudie in Zweden is gebleken dat de te hanteren bezetting duidelijk afhankelijk is van de mate waarin men het stalklimaat kan beheersen. Ook lichtschema's zouden een hogere bezetting toelaten, doch dit hebben wij uit onze resultaten van in 1995 uitgevoerde proeven niet kunnen afleiden.
Algemeen wordt gesteld dat de technische resultaten lager zijn bij een hogere bezetting, maar als men kijkt naar het arbeidsinkomen per opgezet kuiken, neemt dit toe bij een hogere bezetting.
In het onderzoek aan de PDLT is een vergelijking gemaakt tussen een bezetting van 12 kuikens per m² en drie meer gangbare bezettingen in de praktijk, respectievelijk 18, 20 en 22 kuikens per m² waarbij de klimaatcondities konden aangepast worden aan de gehanteerde bezetting. De bezetting van 12 kuikens per m² komt overeen met een dichtheid van ca. 25 kg per m². Dit is een norm die tijdens discussies rond welzijn van vleeskuikens bij de Europese commissie door bepaalde groepen wordt vooropgesteld.
MATERIAAL EN METHODE
Algemeen
Gedurende 6 rondes zijn telkens 21.600 vleeskuikens (ROSS 208) verdeeld over 4 klimaatafdelingen van 300 m². Elke klimaatafdeling was verder verdeeld in 4 subeenheden van elk 75 m². In 2 subeenheden kregen de kuikens een standaard voerprogramma en in de 2 andere subeenheden kregen ze een kernvoeder met hele tarwe. Op het effect van tarwe bijmengen wordt in mededeling 97 verder ingegaan.
Uit de proeven is gebleken dat het bijmengen van tarwe geen invloed heeft op resultaten bij vergelijking van de verschillende bezettingsdichtheden.
De kuikens zaten op witte houtkrullen en beschikten ad lib over kruimelvoer en water. De energie- en eiwitinhoud van het standaardvoerprogramma is weergegeven in tabel 2. Het aantal kuikens per voerpan en drinkcup is zo gelijk mogelijk gehouden voor elke onderzochte bezettingsdichtheid.(zie tabel 3).
De streefwaarde voor de staltemperatuur was deze die geadviseerd werd door de leverancier van het voer. De kuikens kregen een intermitterend lichtschema van 1 uur licht gevolgd door 3 uur donker vanaf dag 5 tot dag 39. De lichtsterkte werd aangepast aan de leeftijd. Hierbij werd gebruik gemaakt van hoogfrequente TL-lampen voor lichtsterktes van 10 lux en meer en van gloeilampen voor lichtsterktes van minder dan 10 lux.
De ventilatie werd steeds gestuurd op basis van het aantal dieren in de stal, waarbij uitgegaan werd van een norm van 0,6 m³ per uur per kg levend gewicht voor de minimum ventilatie en 3,6 m³ per uur per kg levend gewicht voor de maximum ventilatie.
In figuur 3 is de gemiddelde hoeveelheid geventileerde lucht per kuiken per dag per bezettingsdichtheid over de 6 rondes weergegeven.
Metingen
De klimaatgegevens en het energieverbruik, zijn per afdeling continu geregistreerd. Per subafdeling zijn de verstrekte hoeveelheden voer en water continu bijgehouden. Wekelijks werden er 50 kuikens per hok individueel gewogen en bij de laatste weging waren er dit 75. De uitval en oorzaak van uitval werden dagelijks genoteerd. De basis van selectie van uitval was vergelijkbaar met deze van een praktijkbedrijf, dit wil zeggen dat naast de gestorven dieren ook de dieren zijn verwijderd die extreem klein waren of die ernstige gebreken vertoonden. Voor de verwerking van de gegevens zijn de oorzaken van uitval samengebracht in twee groepen, nl. pootproblemen (osteoporose, tibiale dischondroplasie, femurale necrose, zwellingen en draaipoten) en metabole problemen (ascites, rugliggers).
Per afdeling werd er een slachtrapport bijgehouden.
RESULTATEN
In tabel 4 zijn de levende gewichten weergegeven in functie van de leeftijd en de hokbezetting. Vanaf de weging op dag 36 was er een significant verschil tussen de verschillende bezettingen. Het levend gewicht op dag 36 en 43 nam af bij een hogere bezetting.
Er is geen verband gevonden tussen het uitvalspercentage en de bezetting. Wanneer men kijkt naar de reden van uitval is er ook geen statistisch verband aan te tonen tussen de hokbezetting en de oorzaak van uitval (zie tabel 5).
Zoals uit tabel 6 blijkt neemt de voerconversie toe met een hogere bezetting. Rekening houdend met de verminderde groei bij de hogere bezettingen daalt het productiegetal bij de hogere bezettingen.
Wanneer men dan kijkt naar het saldo per opgezet kuiken en men houdt enkel rekening met de vleesopbrengst, de voer- en kuikenkost, neemt het saldo af bij een hogere bezetting.
Doch wanneer men ook rekening houdt met de investeringen in de stal, het onderhoud en de staluitrusting door het saldo per m² staloppervlak te berekenen blijkt dit saldo duidelijk toe te nemen bij de hogere bezettingen.
Uit de slachtrapporten (zie tabel 7) blijkt dat het slachtrendement significant lager is bij de bezetting van 12 kuikens per m².
Wanneer men de veterinaire keuringsrapporten beschouwt ziet men, met uitzondering van een effect op het aantal mesthakken, geen effect van de bezettingsdichtheid op de verschillende slachtparameters.
PRAKTISCHE RESULTATEN
Uit de resultaten van deze proef blijkt dat op praktijkschaal de technische productieresultaten afnemen met een hogere bezetting. Vooral wanneer men het eindgewicht en de voerconversie beschouwt. De uniformiteit is bij de bezetting van 12 kuikens per m² echter duidelijk slechter dan bij de meer gangbare bezettingen van 18, 20 en 22 kuikens per m². Door het minder goede productieresultaat bij de hogere bezettingen van de kuikens neemt het saldo per opgezet kuiken af bij een hogere bezetting wanneer men geen rekening houdt met de afschrijving en onderhoud van de stal. Door het saldo per m² te berekenen brengt men deze laatste kosten wel in rekening, want bij de bouw van de stal heeft men in een bepaalde staloppervlakte geïnvesteerd, waarbij de kosten voor de ruwbouw onafhankelijk zijn van de gehanteerde bezetting.
Bij een goed bedrijfsmanagement dat onder andere een klimaatsturing toelaat die aangepast is aan hogere bezettingen neemt het saldo per m² toe met de bezettingsgraad bij de door ons onderzochte bezettingsdichtheden.
BESLUIT
Het technische productieresultaat (eindgewicht, voerconversie), met uitzondering van de uniformiteit, nam in de proef af bij een hogere bezetting . Het saldo per m² staloppervlakte nam echter toe bij de hogere bezetting. De uitval en de oorzaak van uitval met betrekking tot poot- en metabole problemen zijn niet beïnvloed door de bezetting.
Een algemene optimale bezettingsdichtheid is moeilijk te bepalen omdat een goede sturing van het stalklimaat afhangt van veel factoren, zoals de stal en de klimaatregelapparatuur en niet in het minst de bekwaamheid van de vleeskuikenhouder.
Terug