MESTADDITIEVEN: NUTTIG OP UW BEDRIJF

Ir. Johan Zoons, Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw, Provincie Antwerpen


INLEIDING


Op zowel rundvee-, varkens-, als pluimveebedrijven zijn de problemen met korstvorming en aankoeken van drijfmest in putten en silo's maar al te goed bekend: de korst is de ideale voedingsbodem voor maden, met insectenoverlast als gevolg. Bovendien gaat het uitrijden van de drijfmest veelal niet zonder mixen en is de uitgevoerde mest niet homogeen van kwaliteit. Een aspect waarmee vaak geen rekening wordt gehouden bij het rondpompen van de mest is het vrijkomen van schadelijke gassen, waaronder ammoniak. Het vervluchtigen van ammoniak uit de mest betekent een belangrijke kwaliteitsdaling van de drijfmest. Naast een negatieve invloed voor het milieu veroorzaakt ammoniakvervluchtiging ook een belangrijke geurhinder in de stal.
De laatste jaren zijn er verscheidene mestadditieven op de markt gekomen. Van deze producten wordt beweerd dat ze de problemen rond ammoniak en korstvorming oplossen. De gunstige werking van deze additieven zou zich baseren op onder andere verlaging van de pH, binding van ammoniak, toevoeging van bacteriën of enzymen, ... Er moet echter wel een belangrijk onderscheid gemaakt worden tussen geurlastvermindering en vermindering van de ammoniakuitstoot. Ammoniak is immers maar één van de geurcomponenten die uit de mest kan vervluchtigen. Producten die een reductie van de geur teweegbrengen, realiseren dus niet a-priori een reductie van de ammoniakuitstoot.

DOEL VAN DE PROEF

Door de provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw werd op de Hooibeekhoeve te Geel een proef opgezet waarin twee mestadditieven naast elkaar getoetst werden. Het doel van de proef bestond er enerzijds in het effect van beide producten op de homogeniteit en de samenstelling van de drijfmest na te gaan en anderzijds de ammoniakconcentratie boven het mestoppervlak op te meten.

OPZET VAN DE PROEF

De proef werd opgezet in een natuurlijk geventileerde jongveestal. Met het oog op deze proef werden in deze jongveestal vier compleet gescheiden mestkelders gebouwd. De runderen in de jongveestal werden volgens leeftijdscategorie opgesplitst in twee groepen:
- groep A: runderen van acht tot tien maanden. Omwille van het specifieke rantsoen van deze dieren werd deze groep buiten proef gelaten. Deze groep werd boven kelder één geplaatst.
- groep B: runderen van tien maanden en ouder. Groep B werd nogmaals opgedeeld in twee groepen. Groep B1, een groep van tien runderen, werd boven kelder twee geplaatst. Groep B2, bestaande uit ongeveer twintig runderen, werd boven kelder drie en vier geplaatst.

Tradilyse en Pit Boss zijn de twee mestadditieven die in de proef werden opgenomen.
Het product Tradilyse bestaat uit negen verschillende bacteriën. Deze micro-organismen zetten een proces in gang dat er voor zorgt dat de mest homogeen blijft en korstvorming voorkomen wordt. Door toepassing van dit product zou de geur van de drijfmest sterk verminderen, terwijl de stikstofwaarde behouden blijft. Bij gebruik van dit product beoogt men een gezonder stalklimaat door een vermindering van de ammoniakvervluchtiging.
Bij de start van de proef werd 200 g product per M3 drijfmest toegediend. Nadien werd elke week een onderhoudsdosis van 100 g product per dier op de roosters gestrooid.

De werking van het product Pit Boss is gebaseerd op een biochemische technologie waarbij hyperoplosbaar koper de bacteriële en enzymatische processen in de drijfmest beïnvloedt, zonder bacteriën of enzymen toe te voegen. De bacteriën die reeds in de drijfmest aanwezig zijn worden benut voor de afbraak van de korst en andere vaste bestanddelen. Vier tot zes weken na toediening bereikt het product zijn maximale werking.
Er werd éénmalig 2 l product toegediend op het ogenblik dat er ongeveer 50 cm drijfmest in de kelder stond.

De proef werd gestart op 26 januari 1996 en werd beëindigd op 21 juni 1996.

RESULTATEN

Ammoniakconcentratie - staltemperatuur


Wekelijks werden de ammoniakconcentratie - op tien cm boven het mestoppervlak - en de staltemperatuur opgemeten.
Voor 29 maart 1996 werd in de stal een temperatuur van minder dan 10°C opgemeten. Gedurende die periode hadden we te maken met een ammoniakconcentratie van minder dan 40 ppm. Vanaf 12 april 1996 steeg de ammoniakconcentratie boven het mestniveau spectaculair ten gevolge van de temperatuurstijging van de drijfmest. De temperatuur van de drijfmest begon te stijgen een twaalftal dagen nadat de temperatuur in de stal toenam. Gedurende de koude periode lag de ammoniakconcentratie, opgemeten in de kelder waar Pit Boss werd toegediend, lager dan de concentratie in de kelder waar geen toevoegmiddel werd toegediend.
De ammoniakconcentartie, opgemeten in de kelder waar Tradilyse werd toegevoegd, lag gedurende de koudere periode meestal hoger dan de controle. In de periode met hogere temperaturen was er geen significant verschil in ammoniakconcentratie meer tussen de controlekelder en de kelder waarin Pit Boss werd toegediend. Wel lag de ammoniakconcentratie, gemeten in de kelder met Tradilyse, opmerkelijk lager dan de concentratie in de controlekelder.

Mestsamenstelling

Alvorens de mestadditieven toe te dienen werd een drijfmeststaal genomen. Dit staal was een mengstaal van de drie kelders in de proef. Nadien werd maandelijks een drijfmeststaal genomen van de verschillende kelders. Het droge stof percentage van de drijfmest was erg laag.
Bij de start van de proef werd de jongveestal pas in gebruik genomen en werd 30 cm water in de kelders gezet. Dit verklaart het lage percentage droge stof van de drijfmest.

Homogeniteit

De figuren 2, 3 en 4 geven een beeld van de homogeniteit van de drijfmest voor de verschillende objecten. Om de homogeniteit van de drijfmest na te gaan werd het drijfmestniveau in elke kelder opgemeten. Van de onderste 25% van het, mestniveau, de bovenste 25% van het mestniveau en de laag tussenin (50%) werd een drijfmeststaal genomen. Van elk staal werd het droge stof percentage bepaald. Deze analyse gebeurde driemaal gedurende de proefperiode.

De drijfmest behandeld met Pit Boss vertoonde bij de eerste staalname een duidelijk verschil in droge stof percentage tussen de verschillende lagen. Bij de tweede staalname was het verschil tussen de lagen bijna volledig verdwenen. Er trad een homogenisatie van de drijfmest op. Bij de laatste staalname was er een klein, niet significant verschil tussen de lagen merkbaar.

Bij de eerste staalname in de controlekelder trad er nog geen laagvorming op. Naarmate de proef vorderde kregen we een sterke uitsplitsing in lagen. Bovenaan vormde zich een dikke laag drijfmest (16% droge stof), de dunne drijfmest (11% droge stof) bleef onderaan.

De drijfmest, behandeld met Tradilyse, was in eerste instantie vrij homogeen. Bij de tweede staalname kon men een duidelijke laagvorming vaststellen. De laatste staalname vertoonde twee lagen met een significant verschillend droge stof percentage.
Om het effect van mestadditieven op de homogeniteit van drijfmest na te gaan, werd het aantal mesttanken en de tijdsduur van het voltrekken van een tank opgemeten. Hieruit bleek dat de drijfmest behandeld met mestadditieven wel degelijk homogener was. De eerste tonnen werden in ongeveer dezelfde tijdspanne volgetrokken. Naarmate de mest dikker werd duurde het wel langer vooraleer een ton gevuld was. Uit beide kelders werden telkens elf tonnen getrokken.
De drijfmest uit de controlekelder was minder homogeen. Reeds na de vierde ton werd het moeilijker om de kelder leeg te trekken. In totaal konden er slechts tien tonnen uit de controlekelder getrokken worden. De dikke fractie bleef onderaan in de put.
Een bijkomende vaststelling was dat in de kelder waarin, de mest behandeld was met Pit Boss, er bijna geen maden aanwezig waren. In de kelder met Tradilyse kwamen er slechts een kleine hoeveelheid maden voor in de mest. Dit in tegenstelling tot de controlekelder, waar er zowel maden op de muur als in de mest aanwezig waren.

BESLUIT

De ammoniakconcentratie boven het mestoppervlak stijgt wanneer de temperatuur toeneemt.
We kunnen echter niet éénduidig besluiten dat mestadditieven de ammoniakconcentratie verlagen. Een belangrijke kanttekening die we echter moeten maken is het feit dat de proef gedaan werd in een natuurlijk geventileerde stal. De luchtcirculaties in de stal, die een belangrijke invloed hebben op de ammoniakconcentratie boven het drijfmestoppervlak, kunnen niet gecontroleerd worden !
Wel kunnen we uit deze proef besluiten dat in de drijfmest, behandeld met additieven, minder laagvorming optreedt in vergelijking tot onbehandelde mest. Drijfmest behandeld met additieven is veel homogener.

Terug