In april 1996 is de nieuwe proef met braadkippen gestart op het Proefbedrijf voor de Veehouderij van de Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw van Antwerpen.
Deze proef zal lopen tot maart 1 997 en heeft als thema's:
De invloed van de hokbezetting bij braadkippen.
Binnen de Europese commissie wordt er in het kader van het dierenwelzijn aan gedacht om de maximale hokbezetting bij braadkuikens wettelijk vast te leggen.
Hierbij werd aanvankelijk gedacht om de maximum-grens op 25 kg per M2 te leggen, wat overeenkomt met een bezetting van ca. 12 kuikens per M2 .
Na reacties uit de pluimveesector, heeft de Europese commissie besloten om de maximale bezetting pas te regiementeren als er meer gegevens beschikbaar zijn.
Het nut van zeff hele tarwe bijmengen op het bedrijf.
E zijn reeds buitenlandse ervaringen die wijzen op de mogelijke financiële voordelen van zelf hele tarwe bijmengen.
Hiervoor worden verschillende technieken toegepast.
In deze proef willen we nagaan hoever men kan gaan met zelf tarwe inmengen, wanneer men de inmengverhouding geleidelijk aanpast aan de leeftijd van de kuikens.
MATERIAAL EN METHODE
In het Proefbedrijf voor de Veehouderij in Geel zijn de braadkuikens gehuisvest in
2 stallen die onderverdeeld zijn in telkens 2 totaal gescheiden afdelingen van 300 m2, die onafhankelijk van elkaar te sturen zijn qua klimaat.
Elke afdeling wordt nogmaals met een draadafsluiting onderverdeeld in 4 kleinere afdelingen van 75 M2.
Figuur1 Temperatuur en lichtschema
Staftemperatuur en ventilatie
De stal wordt verwarmd door middel van centrale verwarming met delta-buizen.
De ventilatie wordt enkel geregeld op basis van de stattemperatuur en de relatieve vochtigheid.
De minimumventilatie wordt ingesteld op 0,5 m²/uur/kg levend
gewicht en de maximumventilatie op 3,6 m²/uur/kg -levend gewicht.
De streefwaarde voor de staltemperatuur is weergegeven in figuur 1.
Lichtschema
Na eerdere ervaringen is gekozen voor een intermitterend lichtschema met 1 uur licht afgewisseld met 3 uur donker vanaf dag 5 tot dag 39.
Verder wordt de lichtintensiteit aangepast aan de leeftijd van de kuikens (zie figuur 1).
Proefschema
Per afdeling van 300 M2 is een andere bezetting gebruikt waarbij de ventilatie en de bezetting aangepast is aan de hoger vermelde normen.
Verder is het aantal voerpannen en drinkpunten per dier zo gelijk mogelijk gehouden per proefgroep volgens volgende normen:
bezetting (kuikens/m²)
aantal dieren per frisscup
aantal dieren per voederpan
22
27,5
86,84
20
27,3
88,23
18
27,6
84,37
12
27,3
81,81
Per afdeling wordt in 2 kleinere subafdelingen een standaard commercieel voer verstrekt,
terwijl in de overige 2 kleinere subafdelingen een aangepast voer wordt verstrekt waaraan op het bedrijf zelf hele tarwe wordt bijgemengd.
In al de gevallen beschikken de dieren "ad lib" over voer en water.
Het controlevoer is een korrel met de volgende kenmerken:
starter
12,12 MJ/kg
23% ruw eiwit
groei
12,81 MJ/kg
22% ruw eiwit
finisher
12,79 MJ/kg
21 % ruw eiwit
Vanaf een leeftijd van 1 0 dagen is tarwe bijgemengd waarbij het inmengpercentage toeneemt in functie van de leeftijd.
Er zijn twee inmengpatronen met een globaal inmengpercentage van respectievelijk 20% en 30% bekeken.
Per vooropgesteld inmengpercentage is het aangepast voer zodanig geformuleerd dat de lysineopname zoveel mogelijk gelijk bleef bij de verschillende globale inmengpercentages.
In de eerste twee rondes is telkens 20% tarwe bijgemengd en in de derde ronde 30% tarwe.
Er zal nog in een ronde 30% tarwe ingemengd worden en gedurende twee rondes 40%.
Bron: Provinciale Dienst voor Land-en Tuinbouw Terug naar menu