|
BESPREKING PER ZIEKTE/PARASIETWitziekteVruchtrot Verwelking Stengelbasisrot Roodwortelrot Droog hartrot Spintmijt Aardbeimijt Tripsen Aardbeibloesemkever Bladluizen Aaltjes Dierlijke parasieten
Dit omvangrijke werk is tot stand gekomen door de medewerking van onderzoekcentra, de fytofarmaceutische industrie en in het bijzonder van de aardbeitelers zelf. Daarom danken wij in de eerste plaats alle telers die de laatste jaren proefvelden ter beschikking stelden, nl. de families Smets en Socquet in Kortrijk-Dutsel, de familie Vandeborne uit Melveren, de familie Hermans uit Berbroek, de familie Jansen uit Aarschot, de familie Vrancken uit Mopertingen en de familie Schurmans uit Kortenaken. Tevens danken wij ir. P. Creemers, lic. G. Sterk, ing W. Brugmans, W. Goossens (Opzoekingsstation van Gorsem), Dir. W. Baets en ir. F. Lieten (Proeftuin der Noorderkempen). De unieke en prettige samenwerking heeft ongetwijfeld een positieve uitwerking naar de aardbeibedrijven toe.Een speciaal woord van dank richten wij te Sint- Katelijne-Waver, voor het belangeloos uitvoeren van bepaalde grondontsmettingsmethoden. Wij danken ook alle fytofarmaceutische firma's die gratis de proefprodukten hebben geleverd die nodig zijn voor onze proefveldwerking. Tot slot danken wij allen die rechtstreeks of onrechtstreeks hebben bijgedragen tot het welslagen van de proeven of de samenstelling van deze gids.
Witziekte of echte meeldauw is de meest voorkomende bladziekte op onze aardbeien. Naast de bladeren kunnen ook de vruchten tijdens de oogst aangetast worden. De infectieperiode strekt zich uit van begin mei tot eind september. Teeltwijzen onder bescherming kunnen zowel vroeger als later in het sezoen nog geïnfecteerd worden. De substraatteelt onder plastiek heeft in de herfst vaak zwaar te lijden van witziekte. Voor de bestrijding kan de teler kiezen uit ongeveer 10 produkten. Naargelang hun chemische verwantschap kunnen ze ingdeeld worden in 6 verschillende groepen (zie tabel 1). Tabel 1: indeling van de witziektebestrijdingsmiddelen volgens hun chemische verwantschap.
Om het gevaar voor resistentie zoveel mogelijk te beperken, zal men afwisselend spuiten met produkten van een andere familie.
De efficiëntie van de belangrijkste witziektemiddelen is weergegeven in tabel 2. Er is een onderscheid gemaakt tussen de preventieve en de curatieve toepassing.
Preventieve toepassing:
Curatieve toepassing: Tabel 2: werkingsgraad van de belangrijkste produkten.
Preventieve toepassing: SYSTHANE 12 E is omwille van zijn korte wachttijd (3 dagen) aangewezen juist vóór of tijdens de oogst. De schema's waar afwisselend of gemengd werd gespoten met produkten van een andere chemische familie geven meestal een betere preventieve bestrijding, dan wanneer steeds hetzelfde produkt gebruikt wordt (nrs 7, 8 en 9).
Curatieve toepassing: In de proeven is reeds verschillende jaren een produkt opgenomen dat niet erkend is in België. Hiermee werd in het verleden, zowel curatief als preventief, steeds de beste witziektebetrijding bekomen. In 1993 viel het resultaat bij de preventieve toepassing op substraatteelt nogal tegen. De curatieve toepassing in open lucht was veruit de beste. De reden hiervoor is nog niet gekend. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
VRUCHTROTGrauwe schimmelALGEMEENHEDENDe GRAUWE SCHIMMEL of BOTRYTIS is vooral gekend als de voornaamste oorzaak van vruchtrot. Men herkent hem aan het muizengrijs schimmelpluis dat zich ontwikkelt op rottende vruchten. Daarnaast kan deze schimmel ook de basis van blad- en bloemstengels infecteren (= koprot). De plant valt dan geheel open en de oogst gaat verloren. Deze vorm van aantasting komt zeer vaak voor in de substraatteelt tijdens de wintermaanden. In de klassieke grondcultuur liggen winterbloemen vaak aan de basis van koprot. Ook een te dichte plantafstand kan hiertoe aanleiding geven. Optimale infectievoorwaarden worden gecreëerd door een hoge luchtvochtigheid. Een hoge temperatuur is daarbij niet noodzakelijk, maar versnelt wel het rottingsproces.
Om de kans op Botrytisaantasting te verminderen, kan men belangrijke voorzorgsmaatregelen treffen, zoals:
het tijdig luchten van glas- en plastiekopstand
Tijdens de bloeiperiode volstaan deze voorzorgsmaatregelen alleen niet. Men is dus genoodzaakt om tijdens deze periode wekelijks een bespuiting tegen vruchtrot uit te voeren. Net zoals voor witziekte kan men de Botrytisprodukt indelen volgens hun chemische verwantschap (tabel 3). Nog meer dan voor de witziektebestrijding geldt hier het afwisselen of mengen van produkten van verschillende chemische oorsprong. De bespuitingen volgen elkaar immers sneller op. Daarom is het gevaar voor resistentie groter. Tabel 3: indeling van de Botrytismiddelen volgens hun chemische verwantschap.
Tabel 4 geeft een overzicht van de werkingsgraden die in 1992 en 1993 met de belangrijkste Botrytisprodukten werden bekomen. Tabel 4: Werkingsgraden van de belangrijkste Botrytismiddelen
De gemengde bespuitingen van TMTD met een DICARBOXIMIDE geven nog steeds een betrouwbare vruchtrotbestrijding. Vanaf 1994 wordt het gamma uitgebreid met een produkt van een totaal nieuwe familie, met als handelsnaam SCALA. De werking tegen Botrytis is uitstekend (± 90 werking). Mengen met TMTD bleek minder doeltreffend. Toch is het geraadzaam regelmatig af te wisselen met andere produkten. EUPAREN M WG behoort eveneens tot de betere vruchtrotbestrijdinsmiddelen.
Het eenzijdig gebruik van steeds dezelfde produkten is zeer gevaarlijk. De kans op resistentie is dan bijzonder groot. Ook op doordragers doet men er goed aan regelmatig af te wisselen tussen SUMICO, SUMISCLEX en SCALA. Deze produkten hebben slechts een wachttijd van 3 dagen en behoren tot verschillende families. In 1993 werd ook een vergelijkende studie gemaakt tussen het mengen of het afwisselend spuiten van produkten uit een andere familie. Beide systemen geven voldoening. Toch is het wenselijk om TMTD bij een dicarboximide of Sumico te voegen. De beschikbare produkten stellen de teler in de gelegenheid meerdere goede produkten of kombinaties te gebruiken die hem een bevredigend resultaat opleveren. Aan welke produkten hij de voorkeur geeft, hangt van uiteenlopende factoren af, zoals:
klimaatsomstandigheden:
duur van de bloeiperiode:
teeltwijze:
bloemstadium: Een normale bloeiperiode duurt 5 à 6 weken. Dit komt overeen met 1 bespuiting per week. Hiermee worden alle openkomende bloemen voldoende beschermd. Indien de bloeiperiode langer dan 6 weken duurt, zal men enkele extra bespuitingen moeten toevoegen. Als er binnen de week na een behandeling meer dan 20 liter regen per vierkante meter valt, moet men een extra bespuiting inlassen. De aangebrachte produkten zijn dan immers gedeeltelijk afgeregend.
AntracnoseSinds het einde van de jaren tachtig worden aardbeien regelmatig aangetast door een nieuwe ziekte, nl. ANTRACNOSE of Colletotrichum. In hoofdzaak worden de vruchten geïnfecteerd. Er ontstaan dan zwarte ingezonken vlekjes op het rijpe vruchtvlees, die gelijdelijk groter worden en later samensmelten. Bij nader onderzoek vindt men ook een roosachtig schimmelpluis langs de rand van de vlekken.In langdurig natte omstandigheden worden soms ook de uiteinden van de uitlopers aangetast. Dezeuitloperuiteinden zijn dan afgeplat en zwart verkleurd. De ziekte treedt voornamelijk op bij warm onweerachtig weer na een hevige regenbui. De opspattende regendruppels zorgen dan voor de verspreiding van de sporen. Om de kans op besmetting te verkleinen kan men zoals voor de grauwe schimmel enkele voorzorgsmaatregelen treffen, zoals: niet te dicht planten in een dubbel rijensysteem zodat het gewas binnenin goed kan opdrogen.
grondstroken tussen de plastiek, evenals tussen de planten op de plastiek, bedekken met voldoende stro. Dit breekt de druppelinslag bij hevige regenval. Er is dan minder kans op verspreiding van de sporen.
KelkrotDeze ziekte wordt nog zelden waargenomen in aardbeipercelen. Indien toch infectie optreedt is dit te merken aan de gedeeltelijk verdroogde kelkblaadjes en het waterachtig worden van de rijpe vruchten. Hierbij behouden deze hun normale rode kleur. Indien in het rotbestrijdingsschema enkele bespuitingen met TMTD of een BCM- produkt zijn opgenomen, is er voor zware infectie geen gevaar. Eenzijdige bespuitingen met Ronilan SC verhogen de kans op aantasting. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
VERWELKINGALGEMEENHEDENDe verwelkingsziekte of Verticillium is de meest gevreesde parasiet bij teeltwijzen in de grond. De ziekte kenmerkt zich door het open vallen van de planten omstreeks de oogstperiode. De volledige oogst kan zo verloren gaan. In het verleden werd verwelkingsziekte voorkomen door het aangieten met BCM- produkten. Op het ras Elsanta is deze bestrijdingstechniek ontoerijkend. Uit de proefgegevens van de laatste jaren wordt dit duidelijk aangetoond. Ter vervanging van de BCM- aangietingen bieden de bandontsmettingen met klassieke grondontsmettingsmiddelen een betrouwbaar alternatief. Uit 3 jaar praktijkonderzoek is het nut van deze methode duidelijk aangetoond. De techniek bestaat erin dat gelijktijdig met het leggen van de zwarte plastiek de grond eronder behandeld wordt met ontsmettingsprodukt. De grondstroken tussen de plastiek worden niet behandeld. Op deze wijze vermindert men de hoeveelheid produkt met 50% t.o.v een klassieke ontsmetting. Bovendien fungeert de zwarte plastiekfolie als afdekking voor de ontsmette grondstrook. De kostprijs van een bandontsmetting met de courante grondontsmettingsmiddelen (dichloorpropeen, Dasomet, Metam- Natrium) is concurrentieel met BCM- aangietingen.
De techniek van de bandontsmetting is bedoeld ter vervanging van het aangieten met BCM- produkten. In geen geval zal zij de doeltreffendheid van een volledige grondontsmetting kunnen bereiken. Bandontsmetting is dus enkel verantwoord op gronden met een lage tot matige besmettingsgraad . Percelen die de vorige jaren veel verwelkingszieke planten vertoonden (> 25% uitval) worden best volledig ontsmet. De toepassing van bandontsmetting moet minstens 1 maand vóór het planten gebeuren. De plantgaten worden gemaakt 1 week vóór het planten om de resterende gassen te laten ontsnappen. Tabel 5 toont ons de proefresultaten die de laatste 2 jaar werden bekomen. Er is een vergelijkende studie gemaakt tussen klassieke ontsmetting, bandontsmetting en aangieten met een BCM- produkt. Het proefperceel bevond zich te Kortrijk- Dustel. Het betrof een zandleem grond die matig besmet was door Verticillium. De klassieke ontsmettingen werden uitgevoerd eind juni; de bandontsmettingen eind juli. Het planten gebeurde begin september. Tabel 5: Bestrijding van verwelkingsziekte door klassieke ontsmetting, bandontsmetting en aangieten met Bavistin DF.
Het valt duidelijk op dat het aantastingspercentage nauwelijks of niet wordt teruggedrongen door aan te gieten met een BCM- produkt. De opbrengst wordt wel in lichte mate positief beïnvloed. Zowel met de band- als met de klassieke ontsmetting wordt het verwelkingspercentage op deze matig besmette grond aanzienlijk verminderd. Het aantal aangetaste planten was voor beide systemen ongeveer gelijk. De hoogste opbrengsten daarentegen werden bekomen met de volledige grondontsmetting. In onze proeven werd door aangietingen met BCM- produkten een produktietoename van ongeveer 10% genoteerd. Met bandontsmetting bedroeg de produktietoename tussen de 20 - 30%. Met de klassieke grondontsmetting werd een produktietoename van 30 - 40% genoteerd.
Als de grond slechts weinig tot matig besmet is, wordt verwelkingsziekte met beide systemen wel even goed bestreden. Bij zware besmetting blijft een volledige grondontsmetting noodzakelijk. Een bandontsmetting is het aangewezen alternatief voor de BCM- aangietingen. De kostprijs aan produkt is in beide gevallen vergelijkbaar, als bandontsmetting gebeurt met dichloorpropeen (DD-95, TELONE II). De kostprijs per plant voor de uitvoering is duidelijk in het voordeel van bandontsmetting. Dit kan immers gelijktijdig machinaal gebeuren met het leggen van de zwarte plastiek. Het aangieten daarentegen kost veel aan arbeidsuren. STENGELBASISROT
ALGEMEENHEDEN | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
DROOG HARTROTALGEMEENHEDENDroog hartrot wordt veroorzaakt door de bodemschimmel Rhizoctonia. Deze schimmel komt voor in de oppervlaktelaag van de bodem. Infectie vindt plaats tijdens de wintermaanden als er een vochtig en warm microklimaat rond het wortelrhizoom ontstaat. Daarom is Rhizoctonia enkel gevaarlijk bij de teelt onder bescherming. De substraatteelt ondervindt meer schade dan teeltwijzen in de grond. Droog hartrot is herkenbaar aan de bruin- zwarte verkleuring van de hartbladeren, zonder dat er zich schimmelpluis vormt (in tegenstelling met koprot). Na enige tijd sterft het hart af. Enkele weken later ontluiken nieuwe bladeren via de zijknoppen. De plant krijgt daardoor een bossige groeiwijze zonder bloemstengels "broeikoppen" genoemd. Bij besmetting groeien de schimmeldraden van plant tot plant. De ziekte treedt daarom pleksgewijs op, of mee met de rijrichting. BESTRIJDING Ter voorkoming van droog hartrot zijn voor de aardbeiteelt geen specifieke Rhizoctonia- middelen erkend. De aardbeiteler moet zich voor de bestrijding beroepen op sommige breedwerkende Botrytis- produkten, zoals TMTD en RONILAN T- COMBI. Andere vruchtrotbestrijders hebben hiertegen geen werking. Het bestrijdingstijdstip situeert zich tijdens de wintermaanden en in het vroege voorjaar. Vooral voor de substraatteelt zijn enkele bespuitingen in het hart van de planten noodzakelijk.
[Boven]
De spintsoort die op aardbeien voorkomt is het z.g. bonespint. Hij komt op alle bedrijven voor en bij ondeskundige bestrijding kan groot produktie- en kwaliteitsverlies optreden. De aangerichte schade is het gevolg van een geringere bladgroenverrichting. De bladeren verkleuren geelgestippeld en later grijs - bruin. Dit is het gevolg van honderden mijten die de cellen van het blad leegzuigen. De ontwikkeling van spint verloopt zeer snel bij warm en droog weer. Er kunnen dan tot 8 generaties ontstaan. Bij verwarmde teelten kan dit aantal generaties nog hoger liggen.
De bestrijding gebeurt in hoofdzaak op chemische wijze. De laatste jaren werd de produktenkeuze uitgebreid met enkele zeer doeltreffende nieuwigheden. In samenwerking met de Proeftuin der Noorderkempen en het Opzoekingsstation van Gorsem worden reeds verschillende jaren spintproeven uitgevoerd. Tabel 7 geeft de werkingsgraden in 1991 en 1992 van de belangrijkste in aardbeien erkende acariciden. Tabel 7: Werkingsgraden van de belangrijkste acariciden.
De aardbeiteler heeft de keuze uit verschillende zeer goede acariciden. De bijzonderste daarvan zijn: PEROPAL 25WP, SANMITE EN PYRANICA (= MASSAI). In onze proeven gaven deze produkten zelfs met 1 bespuiting een volledige afdoding. Voor de praktijk blijft nochtans de stelregel om 2 behandelingen kort na elkaar uit te voeren. 2. NEORON blijkt na 2 bespuitingen eveneens zeer doeltreffend te zijn. Wij adviseren dit produkt eerder in de zomer dan tijdens de herfst. In het verleden gaven de herfstbespuitingen soms minder goede resultaten.
TALSTAR FLO bleek in de proeftuin in 1992 niet meer efficiënt te zijn tegen spint. Deze trent was reeds merkbaar het jaar voordien.
Naast de bovenvermelde klassieke acariciden, kan de teler eveneens kiezen uit enkele eidodende produkten, meerbepaald APOLLO en NISSORUN. Zij zijn zeer geschikt om gemengd te spuiten met een klassiek acaricide. Gelijktijdig worden dan de eieren en beweegbare stadia opgeruimd. Op deze wijze is er slechts 1 behandeling nodig. Tabel 8 : bestrijdingsschema's voor de verschillende teeltwijzen.
Indien veel eieren zijn afgelegd, kan steeds APOLLO of NISSORUN aan het klassiek accaricide toegevoegd worden. NEORON heeft op doordragers een wachttijd van 3 dagen. Op andere teeltwijzen bedraagt de wachttijd 14 dagen. Reeds enkele jaren wordt in de Proeftuin der Noorderkempen de biologische bestrijding met roofmijten nagegaan. De resultaten hiervan zijn zeer wisselvallig. Wij hebben de indruk dat de ontwikkeling van spint tijdens warme perioden te explosief verloopt, zodat de roofmijten de spintpopulatie onvoldoende kunnen onderdrukken. Bijkomend onderzoek is hier noodzakelijk. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
AARDBEIMIJTALGEMEENHEDENEen aantasting door aardbeimijt resulteert meestal in een zeer groot financieel verlies. Bij aantasting blijven de hartbladeren klein met korte bladstelen. De bladschijf is sterk misvormd. Indien de aantasting reeds in het najaar is gebeurd, worden er weinig bloemtakken aangelegd. De indruk bestaat dat aardbeimijt jaarlijks uitbreiding neemt. Warme droge zomers hebben een gunstige invloed op hun ontwikkeling. De meeste problemen doen zich voor in de substraatteelt en de teelt van Selva.
Met betrekking tot de bestrijding hebben zich de laatste 10 jaar geen nieuwe ontwikkelingen meer voorgedaan. Er zijn 3 produkten toegelaten, nl. ENDOSULFAN (= Thiodan), MITAC en KELTHANE. Uit jarenlang onderzoek door het Opzoekingsstation van Gorsem blijkt dat 2 maal ENDOSULFAN spuiten met een tussenpauze van 8 à 10 dagen de beste en betrouwbaarste bestrijding garandeert. De werkingsgraden liggen tussen de 90 - 100%, indien het hart van de planten goed wordt behandeld. Met MITAC en KELTHANE zijn de resultaten eerder wisselvallig. Voor KELTHANE is bovendien een minimumtemperatuur van 18 °C vereist. Toepassingstijdstip
Klassieke grondcultuur: 15-20 oktober (2 x kort na elkaar) In vermeerderingsvelden vraagt de aardbeimijtbestrijding speciale aandacht. Tijdens de maanden juli en augustus zijn minstens 2 à 3 bespuitingen nodig. Plantgoed dat vrij is van aardbeimijt is van essentieel belang voor de aanleg van produktiepercelen. De bloesems van onze aardbeien kunnen door 2 soorten van tripsen belaagd worden, meerbepaald de tabaktrips en de Californische trips. De schade die door beide soorten ontstaat kan zeer aanzienlijk zijn, vooral tijdens warme droge perioden. De meest gevreesde van beide is de Cali- fornische trips. De bestrijding ervan is zeer moeilijk, omdat deze soort verscholen leeft in gesloten bloemknoppen, of tussen de meeldraden van ontloken bloemen. Schadebeeld
tabaktrips: de opperhuid van rijpe en onrijpe vruchten is tussen de zaadjes bruin verkurkt. Dit is het gevolg van het leegzuigen van de opperhuidcellen.
De bestrijding van de tabaktrips baart meestal weinig zorgen. Aangezien deze soort zich ophoudt in reeds ontloken bloemen, zijn ze gemakkelijk te raken met insecticiden. De meeste synthetische pyrethroiden zijn werkzaam tegen deze tripsensoort. Omdat de bestrijding tijdens de bloei dient te gebeuren zal men en produkt kiezen dat niet schadelijk is voor bijen. Het meest aangewezen is daarvoor TALSTAR FLO. De bestrijding van Californische trips is zeer moeilijk. Door de verscholen leefwijze dringen de meeste insecticiden niet door tot aan de parasiet. Zelfs systemische produkten zijn ontoerijkend. Van de in aardbeien toegelaten produkten vertonen enkel DICHLOORVOS en MEVINFOS (Phosdrin, Systephos, Mevinfos) enige activiteit. De werking berust op de wijze van verdampen. Ze verdampen zeer vlug en hebben daardoor een hoog indringend vermogen in de gesloten bloemknoppen. In 1991 werd in samenwerking met de Proeftuin der Noorderkempen een onderzoek verricht naar de werking van 14 verschillende insecticiden. Daarin hadden Dichloorvos en Mevinfos een respectievelijke werkingsgraad van 60% en 76,5%. Dichloorvos is het meest vluchtige van beide. Men gebruikt het daarom bij voorkeur onder glas. Mevinfos is vaak iets doeltreffender in openlucht. Beide produkten zijn giftig voor bijen. Spuit dus 's avonds na de bijenvlucht.
[Boven]
De schade van aardbeibloesemkever is zeer typisch. Volwassen wijfjes leggen hun eitjes in gesloten bloemknoppen en bijten nadien de bloemstengel net onder de knop af. De bloemknopjes knikken vervolgens om, verdrogen en vallen uiteindelijk op de grond. De omvang van de schade is afhankelijk van:
de ligging van het perceel : ingesloten percelen, of aanplantingen langs boskanten, hagen, e.d., lopen het grootste gevaar. BESTRIJDING Een betrouwbare bestrijding van aardbeibloesemkever is niet eenvoudig. De kevers verschijnen pas rond de bloeiperiode, zodat vele bestrijdingsmiddelen niet meer bruikbaar zijn omwille van de giftigheid voor bijen. De bestrijdingsmogelijkheden zijn dus zeer beperkt. Tabel 9: Mogelijkheden ter bestrijding van aardbeibloesemkever.
[Boven]
De belangrijkste luizensoorten die soms op aardbeien voorkomen zijn:
de aardbeiknotshaarluis: de rechtstreekse schade door deze luizensoort is eerder beperkt. Naast het bevuilen van het gewas bestaat ze uit kleine stipjes die op de bladschijf ontstaan na het opzuigen van plantensappen. Onrechtstreeks kan deze luizensoort oorzaak zijn van virusbesmetting.
De bestrijding van bladluizen verloopt meestal zonder problemen. Hiervoor zijn voldoende goede insecticiden beschikbaar. De keuze van produken is afhankelijk van het toepassingstijdstip. Daarbij is het ontwikkelingsstadium van het gewas de bepalende factor (zie tabel 10). Tabel 10: Keuze van produkten ter bestrijding van luizen.
VROEGE VOORJAAR: de bestrijding in het vroege voorjaar is meestal niet nodig. Enkel na een zachte winter kan er reeds vroeg luizenschade optreden. LENTE (bloei): Indien de bestrijding juist vóór bloei correct werd uitgevoerd, is tijdens de bloei geen bestrijding nodig. Aaltjes zijn pootloze microskopisch kleine wormpjes. Ze kunnen zowel in de planten als vrij in de grond voorkomen. Naargelang de plaats van voorkomen maakt men volgend onderscheid: bladaaltjes: deze leven enkel in de bladschijf. De bladeren zijn misvormd, kleiner dan normaal met spitse bladpunten. stengelaaltjes: deze leven in de blad- en bloemstengels. De stengels zien er dan verdikt, gedraaid en soms zelfs geribd uit. wortelaaltjes: afhankelijk van de aaltjessoort leven ze binnen of buiten het wortelgestel. De soorten die buiten het wortelgestel leven maken met hun mondstekel wondjes in de fijne haarworteltjes. Daardoor kunnen bodemschimmels gemakkelijk het wortelgestel binnendringen. Sommige soorten zouden ook virussen kunnen overdragen.
De chemische bestrijding van stengel- en bladaaltjes is onmogelijk. In geval van besmetting moeten de planten verbrand worden. De wortelaaltjes die vrij in de grond voorkomen kan men gemakkelijk bestrijden met klassieke grondontsmettings- middelen, o.a. CYANAMID DD-95, TELONE II, MONAM, BASAMID GRANULE, DROSIN GR 98. De bestrijding is vooral op die percelen noodzakelijk waarop reeds vele jaren aardbeien geteeld werden. Men krijgt daardoor een sterke uitbreiding van de aaltjespopulatie. Dit verschijnsel noemt men in vaktermen "bodemmoeheid". Nieuwe percelen zijn meestal slechts weinig besmet met bodemaaltjes. Het belang van aaltjesbesmetting is het laatste decenium sterk afgenomen. Dit heeft te maken met de verschuiving van het produktiegebied naar nieuwe regionen. Meerbepaald in Limburg beschikt men over veel nieuwe percelen. Anderzijds wordt er in de oudere produktiecentra veel grondontsmetting toegepast ter bestrijding van verwelkingsziekte. Hiermee worden gelijktijdig de aaltjes afgedood. BodeminsectenDe belangrijkste schadelijke bodeminsecten zijn:
EMELTEN
RITNAALDEN
WORTELDUIZENDPOOT
LARVEN VAN DE LAPSNUITKEVER
De bestrijding van emelten, ritnaalden en wortelduizendpoot, gebeurt vóór het planten. Men kan de grond bespuiten met LINDAAN, of PARATHION en nadien inwerken. Voor kleinere percelen bestaan er gekorrelde insecticiden, zoals ABATE en VOLATAN. Na het uitstrooien is inwerken noodzakelijk. De bestrijding van de larven van de lapsnuitkever gebeurt in de vroege lente door de planten aan te gieten met EKAMET, of ENDOSULFAN.
Slakken en loopkeversSlakken maken gave ronde gaten in het rijpe vruchtvlees. Slakkenvraat komt veelal voor tijdens vochtige perioden.Loopkevers eten aan de zaadjes van rijpe en onrijpe vruchten. De schade komt plaatselijk voor.
De bestrijding van slakken en loopkevers gebeurt door het uitstrooien van MESUROL LOKAAS. Dit uitstrooien moet gebeuren voordat de eerste vruchten rijp zijn. |
||||||||||||||||||||