Agris logo
Terug naar index

BESPREKING PER ZIEKTE/PARASIET

Witziekte
Vruchtrot
Verwelking
Stengelbasisrot
Roodwortelrot
Droog hartrot
Spintmijt
Aardbeimijt
Tripsen
Aardbeibloesemkever
Bladluizen
Aaltjes
Dierlijke parasieten

Dit omvangrijke werk is tot stand gekomen door de medewerking van onderzoekcentra, de fytofarmaceutische industrie en in het bijzonder van de aardbeitelers zelf. Daarom danken wij in de eerste plaats alle telers die de laatste jaren proefvelden ter beschikking stelden, nl. de families Smets en Socquet in Kortrijk-Dutsel, de familie Vandeborne uit Melveren, de familie Hermans uit Berbroek, de familie Jansen uit Aarschot, de familie Vrancken uit Mopertingen en de familie Schurmans uit Kortenaken. Tevens danken wij ir. P. Creemers, lic. G. Sterk, ing W. Brugmans, W. Goossens (Opzoekingsstation van Gorsem), Dir. W. Baets en ir. F. Lieten (Proeftuin der Noorderkempen). De unieke en prettige samenwerking heeft ongetwijfeld een positieve uitwerking naar de aardbeibedrijven toe.Een speciaal woord van dank richten wij te Sint- Katelijne-Waver, voor het belangeloos uitvoeren van bepaalde grondontsmettingsmethoden. Wij danken ook alle fytofarmaceutische firma's die gratis de proefprodukten hebben geleverd die nodig zijn voor onze proefveldwerking. Tot slot danken wij allen die rechtstreeks of onrechtstreeks hebben bijgedragen tot het welslagen van de proeven of de samenstelling van deze gids.
ind. ing. F. MEURRENS - ir. A. DEMEYERE - ir. L. DE TEMMERMAN

WITZIEKTE

ALGEMEENHEDEN

Witziekte of echte meeldauw is de meest voorkomende bladziekte op onze aardbeien. Naast de bladeren kunnen ook de vruchten tijdens de oogst aangetast worden. De infectieperiode strekt zich uit van begin mei tot eind september. Teeltwijzen onder bescherming kunnen zowel vroeger als later in het sezoen nog geïnfecteerd worden. De substraatteelt onder plastiek heeft in de herfst vaak zwaar te lijden van witziekte.

Voor de bestrijding kan de teler kiezen uit ongeveer 10 produkten. Naargelang hun chemische verwantschap kunnen ze ingdeeld worden in 6 verschillende groepen (zie tabel 1).

Tabel 1: indeling van de witziektebestrijdingsmiddelen volgens hun chemische verwantschap.

CHEMISCHE FAMILIE
HANDELSNAMEN
D.M.I.'s Topaz 100 EC, Systhane 12 E
Baycor 25 WP, Rubigan 4,
Fungaflor
Organo- fosforverbinding Afugan
Nitrothal- isopropyl
+ metiram
Pallitop
B.C.M.- produkten Benlate, Topsin M,
Bavistin DF, Hermoo Carben,
Hermoo Thiofanaat- Methyl M WG
Morfolineverbinding Meltatox
ZwavelSpuitzwavel
Bron: ir. P. Creemers; Opzoekingsstation van Gorsem

Om het gevaar voor resistentie zoveel mogelijk te beperken, zal men afwisselend spuiten met produkten van een andere familie.



PROEFRESULTATEN

De efficiëntie van de belangrijkste witziektemiddelen is weergegeven in tabel 2. Er is een onderscheid gemaakt tussen de preventieve en de curatieve toepassing.

Preventieve toepassing:
ras: 'Elsanta'; geteeld op veenbaaltjes onder Meerlewarenhuis Proeftuin der Noorderkempen)
aantal bespuitingen: 3-4 met een tussenpauze van gemiddeld 10 dagen
toepassingsperiode: augustus -september

Curatieve toepassing:
ras: 'Elsanta'; geteeld in open lucht en afgemaaid na de oogst (Sint- Truiden)
aantal bespuitingen: 4 - 5 met een tussenpauze van gemiddeld 10 dagen
toepassingsperiode: augustus - september

Tabel 2: werkingsgraad van de belangrijkste produkten.

PRODUKTEN
DOSIS
(per are)
WERKINGSGRAAD

PREVENTIEF (%)
WERKINGSGRAAD

CURATIEF (%)
1992
1993
1992
1993
AFUGAN7 ml
78,6
93,7
65,4
82,4
TOPAZ 100 EC5 ml
80,0
92,2
73,0
58,2
SYSTHANE 12 E5 ml
79,5
75,0
59,1
59,5
PALLITOP15 gr
60,5
83,2
47,1
78,8
PROEFMIDDEL
98,1
71,5
94,3
95,6
RUBIGAN 420 ml
74,9
-
37,7
-
TOPAZ 100 EC
+ PALLITOP
4 ml +
15 gr
91,2
-
65,4
-
AFUGAN +
TOPAZ 100 EC
TOPAZ 100 EC
SYSTHANE 12 E
SYSTHANE 12 E
5 ml +
3 ml
5 ml
5 ml
5 ml
-
97,7
-
58,6
AFUGAN
PALLITOP
TOPAZ 100 EC
SYSTHANE 12 E
SYSTHANE 12 E
7 ml
15 gr
5 ml
5 ml
5 ml

97,2
-
53,4
AANTASTINGSGRAAD ONBEHANDELD 53,7 57,3 39,8 75,5



BESPREKING

Preventieve toepassing:
De belangrijkste produkten, zoals TOPAZ 100 EC en AFUGAN, bezitten een zeer goede preventieve werking (gemiddelde werkingsgraad van 86 ). SYSTHANE 12 E en PALLITOP zijn iets zwakker, maar geven nog een goed resultaat. Vooral in 1993 behoorde PALLITOP bij de betere produkten. Dit middel is bijzonder geschikt als afwisseling of in mengsel met een D.M.I.-middel.

SYSTHANE 12 E is omwille van zijn korte wachttijd (3 dagen) aangewezen juist vóór of tijdens de oogst.

De schema's waar afwisselend of gemengd werd gespoten met produkten van een andere chemische familie geven meestal een betere preventieve bestrijding, dan wanneer steeds hetzelfde produkt gebruikt wordt (nrs 7, 8 en 9).

Curatieve toepassing:
Van de toegelaten produkten bezit AFUGAN de meest betrouwbare curatieve werking. Met TOPAZ 100 EC zijn in het verleden op dat vlak eveneens goede uitslagen behaald. In 1993 was het curatief effect nochtans gering (slechts een werkingsgraad van 58,2 ; in 1992 nog 73 ). Mogelijk zijn de sombere weersomstandigheden in 1993 mede oorzaak van de geringe curatieve werking. Het is reeds vroeger aangetoond dat de werking van TOPAZ 100 EC beter is bij hogere temperaturen. PALLITOP is bij curatief gebruik minder aangewezen. Met uitzondering van 1993 werd in het verleden hiermee geen goed resulaat bekomen.

In de proeven is reeds verschillende jaren een produkt opgenomen dat niet erkend is in België. Hiermee werd in het verleden, zowel curatief als preventief, steeds de beste witziektebetrijding bekomen. In 1993 viel het resultaat bij de preventieve toepassing op substraatteelt nogal tegen. De curatieve toepassing in open lucht was veruit de beste. De reden hiervoor is nog niet gekend.

[Boven]

VRUCHTROT


Grauwe schimmel

ALGEMEENHEDEN

De GRAUWE SCHIMMEL of BOTRYTIS is vooral gekend als de voornaamste oorzaak van vruchtrot. Men herkent hem aan het muizengrijs schimmelpluis dat zich ontwikkelt op rottende vruchten.

Daarnaast kan deze schimmel ook de basis van blad- en bloemstengels infecteren (= koprot). De plant valt dan geheel open en de oogst gaat verloren. Deze vorm van aantasting komt zeer vaak voor in de substraatteelt tijdens de wintermaanden.

In de klassieke grondcultuur liggen winterbloemen vaak aan de basis van koprot. Ook een te dichte plantafstand kan hiertoe aanleiding geven.

Optimale infectievoorwaarden worden gecreëerd door een hoge luchtvochtigheid. Een hoge temperatuur is daarbij niet noodzakelijk, maar versnelt wel het rottingsproces.



VOORZORGSMAATREGELEN

Om de kans op Botrytisaantasting te verminderen, kan men belangrijke voorzorgsmaatregelen treffen, zoals:

het tijdig luchten van glas- en plastiekopstand
niet te dicht planten
geen hoge stikstofgiften tijdens de bloei en oogst
Vooral tegen deze laatste voorzorgsmaatregel wordt zeer vaak gezondigd. Veel stikstof geeft wel dikkere, maar tevens wekere vruchten die gemakkelijk rotten.



CHEMISCHE BESTRIJDING

Tijdens de bloeiperiode volstaan deze voorzorgsmaatregelen alleen niet. Men is dus genoodzaakt om tijdens deze periode wekelijks een bespuiting tegen vruchtrot uit te voeren.

Net zoals voor witziekte kan men de Botrytisprodukt indelen volgens hun chemische verwantschap (tabel 3). Nog meer dan voor de witziektebestrijding geldt hier het afwisselen of mengen van produkten van verschillende chemische oorsprong. De bespuitingen volgen elkaar immers sneller op. Daarom is het gevaar voor resistentie groter.

Tabel 3: indeling van de Botrytismiddelen volgens hun chemische verwantschap.

CHEMISCHE FAMILIE
HANDELSNAMEN
DICARBOXIMIDEN:
  • IPRODIONE
  • VINCLOZOLIN
  • PROCIMIDONE
ROVRAL(AQUAFLO)
RONILAN SC
SUMISCLEX
THIRAM POMARSOL WG, THIANOSAN 80 WG,
HERMOSAN, TMTD
THIRAM + VINCLOZOLIN RONILAN T- COMBI
TOLYLFLUANIDE EUPAREN M WG
DIETHOFENCARB
+ CARBENDAZIM
SUMICO
PYRIMETHANIL SCALA
CAPTAN ORTHOCIDE 83%, CAPTAN
Bron: ir. Creemers; Opzoekingsstation van Gorsem



PROEFRESULTATEN

Tabel 4 geeft een overzicht van de werkingsgraden die in 1992 en 1993 met de belangrijkste Botrytisprodukten werden bekomen.

Tabel 4: Werkingsgraden van de belangrijkste Botrytismiddelen

PRODUKTEN
DOSIS/
ARE
WERKING

'92 (%)
WERKING

'93 (%)

RONILAN SC

10 ml
49,7
65,8

POMARSOL WG

25 gr
84,1
76,9

EUPAREN M WG

25 gr
86,6
86,4

SUMICO

10 gr
86,4
71,1

RONILAN T-COMBI

30 gr
95,7
85,5

ROVRAL +
POMARSOL WG

15gr +
20 gr
-
86,2

SUMICO +
POMARSOL WG

10 gr +
20 gr
93,7
87,5

SUMISCLEX
+ POMARSOL WG

10 gr

20 gr
97,2
86,5

SCALA

20 gr
-
89,9

SCALA +
POMARSOL WG

20 gr +
20 gr
-
86,0
AANTASTINGSGRAAD ONBEHANDELD
14,2
9,8



BESPREKING

De gemengde bespuitingen van TMTD met een DICARBOXIMIDE geven nog steeds een betrouwbare vruchtrotbestrijding. Vanaf 1994 wordt het gamma uitgebreid met een produkt van een totaal nieuwe familie, met als handelsnaam SCALA. De werking tegen Botrytis is uitstekend (± 90 werking). Mengen met TMTD bleek minder doeltreffend. Toch is het geraadzaam regelmatig af te wisselen met andere produkten.

EUPAREN M WG behoort eveneens tot de betere vruchtrotbestrijdinsmiddelen.

Het eenzijdig gebruik van steeds dezelfde produkten is zeer gevaarlijk. De kans op resistentie is dan bijzonder groot. Ook op doordragers doet men er goed aan regelmatig af te wisselen tussen SUMICO, SUMISCLEX en SCALA. Deze produkten hebben slechts een wachttijd van 3 dagen en behoren tot verschillende families.
In de nabije toekomst zullen nog andere actieve stoffen met en zeer goede vruchtrotbestrijding op de markt verschijnen.

In 1993 werd ook een vergelijkende studie gemaakt tussen het mengen of het afwisselend spuiten van produkten uit een andere familie. Beide systemen geven voldoening. Toch is het wenselijk om TMTD bij een dicarboximide of Sumico te voegen.

De beschikbare produkten stellen de teler in de gelegenheid meerdere goede produkten of kombinaties te gebruiken die hem een bevredigend resultaat opleveren.

Aan welke produkten hij de voorkeur geeft, hangt van uiteenlopende factoren af, zoals:

klimaatsomstandigheden:
In geval van warm of schraal weer, kan met Euparen M WG groeiremming optreden. Bij bewolkt en groeizaam weer is hiervoor geen gevaar.

duur van de bloeiperiode:
korte bloei betekent snel overschakelen op produkten met een korte wachttijd

teeltwijze:
op doordragers kan men meestal slechts produkten toepassen met een korte wachttijd

bloemstadium:
tot en met het stadium van volle bloei doet men er goed aan combinaties van TMTD met eendicarboximide of Sumico te gebruiken. Na volle bloei, schakelt men best over op een afwissellend schema van produkten met en korte wachttijd, zoals Scala, Sumicoen Sumisclex.

Een normale bloeiperiode duurt 5 à 6 weken. Dit komt overeen met 1 bespuiting per week. Hiermee worden alle openkomende bloemen voldoende beschermd. Indien de bloeiperiode langer dan 6 weken duurt, zal men enkele extra bespuitingen moeten toevoegen.

Als er binnen de week na een behandeling meer dan 20 liter regen per vierkante meter valt, moet men een extra bespuiting inlassen. De aangebrachte produkten zijn dan immers gedeeltelijk afgeregend.



Antracnose

Sinds het einde van de jaren tachtig worden aardbeien regelmatig aangetast door een nieuwe ziekte, nl. ANTRACNOSE of Colletotrichum. In hoofdzaak worden de vruchten geïnfecteerd. Er ontstaan dan zwarte ingezonken vlekjes op het rijpe vruchtvlees, die gelijdelijk groter worden en later samensmelten. Bij nader onderzoek vindt men ook een roosachtig schimmelpluis langs de rand van de vlekken.

In langdurig natte omstandigheden worden soms ook de uiteinden van de uitlopers aangetast. Dezeuitloperuiteinden zijn dan afgeplat en zwart verkleurd.

De ziekte treedt voornamelijk op bij warm onweerachtig weer na een hevige regenbui. De opspattende regendruppels zorgen dan voor de verspreiding van de sporen.

Om de kans op besmetting te verkleinen kan men zoals voor de grauwe schimmel enkele voorzorgsmaatregelen treffen, zoals:

niet te dicht planten in een dubbel rijensysteem zodat het gewas binnenin goed kan opdrogen.

grondstroken tussen de plastiek, evenals tussen de planten op de plastiek, bedekken met voldoende stro. Dit breekt de druppelinslag bij hevige regenval. Er is dan minder kans op verspreiding van de sporen.
Chemisch is deze ziekte moeilijk te bestrijden. De meeste Botrytismiddelen vertonen geen werking tegen Antracnose. Enkel TMTD en Euparen M WG hebben een nevenwerking.



Kelkrot

Deze ziekte wordt nog zelden waargenomen in aardbeipercelen. Indien toch infectie optreedt is dit te merken aan de gedeeltelijk verdroogde kelkblaadjes en het waterachtig worden van de rijpe vruchten. Hierbij behouden deze hun normale rode kleur. Indien in het rotbestrijdingsschema enkele bespuitingen met TMTD of een BCM- produkt zijn opgenomen, is er voor zware infectie geen gevaar. Eenzijdige bespuitingen met Ronilan SC verhogen de kans op aantasting.

[Boven]

VERWELKING

ALGEMEENHEDEN

De verwelkingsziekte of Verticillium is de meest gevreesde parasiet bij teeltwijzen in de grond. De ziekte kenmerkt zich door het open vallen van de planten omstreeks de oogstperiode. De volledige oogst kan zo verloren gaan. In het verleden werd verwelkingsziekte voorkomen door het aangieten met BCM- produkten. Op het ras Elsanta is deze bestrijdingstechniek ontoerijkend. Uit de proefgegevens van de laatste jaren wordt dit duidelijk aangetoond.

Ter vervanging van de BCM- aangietingen bieden de bandontsmettingen met klassieke grondontsmettingsmiddelen een betrouwbaar alternatief. Uit 3 jaar praktijkonderzoek is het nut van deze methode duidelijk aangetoond. De techniek bestaat erin dat gelijktijdig met het leggen van de zwarte plastiek de grond eronder behandeld wordt met ontsmettingsprodukt. De grondstroken tussen de plastiek worden niet behandeld. Op deze wijze vermindert men de hoeveelheid produkt met 50% t.o.v een klassieke ontsmetting. Bovendien fungeert de zwarte plastiekfolie als afdekking voor de ontsmette grondstrook. De kostprijs van een bandontsmetting met de courante grondontsmettingsmiddelen (dichloorpropeen, Dasomet, Metam- Natrium) is concurrentieel met BCM- aangietingen.



TOEPASSING VAN BANDONTSMETTING

De techniek van de bandontsmetting is bedoeld ter vervanging van het aangieten met BCM- produkten. In geen geval zal zij de doeltreffendheid van een volledige grondontsmetting kunnen bereiken. Bandontsmetting is dus enkel verantwoord op gronden met een lage tot matige besmettingsgraad . Percelen die de vorige jaren veel verwelkingszieke planten vertoonden (> 25% uitval) worden best volledig ontsmet.

De toepassing van bandontsmetting moet minstens 1 maand vóór het planten gebeuren. De plantgaten worden gemaakt 1 week vóór het planten om de resterende gassen te laten ontsnappen.

Tabel 5 toont ons de proefresultaten die de laatste 2 jaar werden bekomen. Er is een vergelijkende studie gemaakt tussen klassieke ontsmetting, bandontsmetting en aangieten met een BCM- produkt. Het proefperceel bevond zich te Kortrijk- Dustel. Het betrof een zandleem grond die matig besmet was door Verticillium. De klassieke ontsmettingen werden uitgevoerd eind juni; de bandontsmettingen eind juli. Het planten gebeurde begin september.

Tabel 5: Bestrijding van verwelkingsziekte door klassieke ontsmetting, bandontsmetting en aangieten met Bavistin DF.


PRODUKTEN
DOSIS/
ARE
PERCENTAGE

AANTASTING
PERCENTAGE

OPBRENGST
'92
'93
'92
'93
'92
'93
KLAS-
SIEK
DD-95
4 l
5 l
4,4
5,8
128
141
BASAMID GR
4 kg
5 kg
3,3
4,7
139
140
BAND NEMATRAP
1 l
2,5 l
5,5
3,3
121
133
BASAMID GR
2 kg
2,5 kg
3,9
3,9
126
113
METHYLBROM.
-
9 kg
-
4,4
-
120
AANG.BAVISTIN DF
0,25 gr/pl
13,5
9,2
107
108
ONBEHANDELD
-
15,5
8,6
100
100



BESPREKING

Het valt duidelijk op dat het aantastingspercentage nauwelijks of niet wordt teruggedrongen door aan te gieten met een BCM- produkt. De opbrengst wordt wel in lichte mate positief beïnvloed.

Zowel met de band- als met de klassieke ontsmetting wordt het verwelkingspercentage op deze matig besmette grond aanzienlijk verminderd. Het aantal aangetaste planten was voor beide systemen ongeveer gelijk.

De hoogste opbrengsten daarentegen werden bekomen met de volledige grondontsmetting.

In onze proeven werd door aangietingen met BCM- produkten een produktietoename van ongeveer 10% genoteerd. Met bandontsmetting bedroeg de produktietoename tussen de 20 - 30%. Met de klassieke grondontsmetting werd een produktietoename van 30 - 40% genoteerd.



ALGEMEEN BESLUIT

Als de grond slechts weinig tot matig besmet is, wordt verwelkingsziekte met beide systemen wel even goed bestreden. Bij zware besmetting blijft een volledige grondontsmetting noodzakelijk.

Een bandontsmetting is het aangewezen alternatief voor de BCM- aangietingen. De kostprijs aan produkt is in beide gevallen vergelijkbaar, als bandontsmetting gebeurt met dichloorpropeen (DD-95, TELONE II).

De kostprijs per plant voor de uitvoering is duidelijk in het voordeel van bandontsmetting. Dit kan immers gelijktijdig machinaal gebeuren met het leggen van de zwarte plastiek. Het aangieten daarentegen kost veel aan arbeidsuren.

[Boven]

STENGELBASISROT
EN ROODWORTELROT

ALGEMEENHEDEN

Stengelbasisrot

Stengelbasisrot kenmerkt zich door het plots afsterven van de planten. Infecties treden voornamelijk op kort na 't planten in augustus- september, of in de lente vanaf mei.

Tijdens de herfst en in de wintermaanden is er geen gevaar. Deze ziekte is in België algemeen verspreid.

De ziekte kenmerkt zich door een inwendige roest- bruin verkleuring van het rhizoom. Ze treedt vooral op kort na een warme vochtige periode.

Het langdurig beregenen van pas geplante percelen houdt grote risico's in. Vooral de plantingen op zwarte plastiek lopen dan groot gevaar. In het plantgat vormt er zich gemakkelijk een plas water rond het rhizoom, zodat de kans op besmetting zeer groot wordt. Daarom doet men er goed aan meerdere keren per dag te beregenen gedurende korte perioden.

De laatste 2 jaar trad er in het najaar veel aantasting van stengelbasisrot op. De vochtige zomers van 1992 en 1993 veroorzaakten veel besmettingen op de vermeederingsbedrijven en nadien op de pas aangelegde produktievelden.

Roodwortelrot

Een infectie door roodwortelrot gebeurt pas tijdens de herfst. Deze schimmel is actief bij lagere bodemtemperaturen. Aangetaste planten vertonen een "blauw- groene doffe" kleur. In de lente blijft het gewas slap. In vele gevallen sterven de planten niet af, maar blijven klein en ineengedrongen.

Het wortelgestel van zieke planten bestaat enkel uit onvertakte hoofdwortels, "rattestaarten". Bij doorsnede is de centrale cilinder van zieke wortels roest- bruin verkleurd.

In tegenstelling tot stengelbasisrot komt deze ziekte eerder plaatselijk voor, vooral in de Noorderkempen.



BESTRIJDING

De bestrijding van beide schimmels is gebaseerd op het aangieten van elke plant met een z.g. anti- phycomyceten middel. Tot deze groep van fungiciden behoren o.a. RIDOMIL-COMBI, RIDOMIL 5G, SANDOFAN M8 EN ALIETTE. De eerste 3 behoren tot dezelfde chemische familie. Er kan dus alleen afgewisseld worden met ALIETTE. In de nabije toekomst zal het gamma uitgebreid worden met een totaal nieuw produkt.

Het aangieten tegen stengelbasisrot gebeurt een eerste maal zo kort mogelijk na het planten. Een tweede aangieting vindt plaats in 't voorjaar bij hergroei. Tegen rood- wortelrot moet men slechts 1 maal aangieten eind september- begin oktober. Er kan eventueel ook gespoten worden, doch deze methode is meestal minder doeltreffend.

Niettegenstaande, zowel stengelbasisrot als rood wortelrot veroorzaakt worden door bodemschimmels vertonen de klassieke bodembegassers (= grondontsmetting) met uitzondering van METHYLBROMIDE geen werking.

VERSCHIL IN SYMPTOMEN TUSSEN VERWELKINGSZIEKTE, STENGELBASISROT EN ROODWORTELROT (voorlopig nog niet voorhanden)

[Boven]

DROOG HARTROT

ALGEMEENHEDEN

Droog hartrot wordt veroorzaakt door de bodemschimmel Rhizoctonia. Deze schimmel komt voor in de oppervlaktelaag van de bodem. Infectie vindt plaats tijdens de wintermaanden als er een vochtig en warm microklimaat rond het wortelrhizoom ontstaat. Daarom is Rhizoctonia enkel gevaarlijk bij de teelt onder bescherming. De substraatteelt ondervindt meer schade dan teeltwijzen in de grond.

Droog hartrot is herkenbaar aan de bruin- zwarte verkleuring van de hartbladeren, zonder dat er zich schimmelpluis vormt (in tegenstelling met koprot). Na enige tijd sterft het hart af. Enkele weken later ontluiken nieuwe bladeren via de zijknoppen. De plant krijgt daardoor een bossige groeiwijze zonder bloemstengels "broeikoppen" genoemd. Bij besmetting groeien de schimmeldraden van plant tot plant. De ziekte treedt daarom pleksgewijs op, of mee met de rijrichting.

BESTRIJDING

Ter voorkoming van droog hartrot zijn voor de aardbeiteelt geen specifieke Rhizoctonia- middelen erkend.

De aardbeiteler moet zich voor de bestrijding beroepen op sommige breedwerkende Botrytis- produkten, zoals TMTD en RONILAN T- COMBI. Andere vruchtrotbestrijders hebben hiertegen geen werking. Het bestrijdingstijdstip situeert zich tijdens de wintermaanden en in het vroege voorjaar. Vooral voor de substraatteelt zijn enkele bespuitingen in het hart van de planten noodzakelijk.

[Boven]

SPINTMIJT

ALGEMEENHEDEN

De spintsoort die op aardbeien voorkomt is het z.g. bonespint. Hij komt op alle bedrijven voor en bij ondeskundige bestrijding kan groot produktie- en kwaliteitsverlies optreden.

De aangerichte schade is het gevolg van een geringere bladgroenverrichting. De bladeren verkleuren geelgestippeld en later grijs - bruin. Dit is het gevolg van honderden mijten die de cellen van het blad leegzuigen. De ontwikkeling van spint verloopt zeer snel bij warm en droog weer. Er kunnen dan tot 8 generaties ontstaan. Bij verwarmde teelten kan dit aantal generaties nog hoger liggen.



BESTRIJDING

De bestrijding gebeurt in hoofdzaak op chemische wijze. De laatste jaren werd de produktenkeuze uitgebreid met enkele zeer doeltreffende nieuwigheden. In samenwerking met de Proeftuin der Noorderkempen en het Opzoekingsstation van Gorsem worden reeds verschillende jaren spintproeven uitgevoerd. Tabel 7 geeft de werkingsgraden in 1991 en 1992 van de belangrijkste in aardbeien erkende acariciden.

Tabel 7: Werkingsgraden van de belangrijkste acariciden.

PRODUKTEN
DOSIS/10 l
WATER
WERKINGS-
GRAAD
1991
WERKINGS-
GRAAD
1992
NEORON
10 ml
98,6%
97,3%
PEROPAL 25 WP
10 gr
99,6%
99,1%
TALSTAR FLO
5 ml
93,3%
46,9%
SANMITE
5 ml
98,7%
100%
PYRANICA
5 ml
-
100%
SANMITE
+ NISSORUN
5 ml
+5 gr
-
97,8%
ONBEHANDELD:aantal mijten
op 100 deelbladeren
10295
1088



BESPREKING

De aardbeiteler heeft de keuze uit verschillende zeer goede acariciden. De bijzonderste daarvan zijn: PEROPAL 25WP, SANMITE EN PYRANICA (= MASSAI). In onze proeven gaven deze produkten zelfs met 1 bespuiting een volledige afdoding. Voor de praktijk blijft nochtans de stelregel om 2 behandelingen kort na elkaar uit te voeren. 2. NEORON blijkt na 2 bespuitingen eveneens zeer doeltreffend te zijn. Wij adviseren dit produkt eerder in de zomer dan tijdens de herfst. In het verleden gaven de herfstbespuitingen soms minder goede resultaten. TALSTAR FLO bleek in de proeftuin in 1992 niet meer efficiënt te zijn tegen spint. Deze trent was reeds merkbaar het jaar voordien. Naast de bovenvermelde klassieke acariciden, kan de teler eveneens kiezen uit enkele eidodende produkten, meerbepaald APOLLO en NISSORUN. Zij zijn zeer geschikt om gemengd te spuiten met een klassiek acaricide. Gelijktijdig worden dan de eieren en beweegbare stadia opgeruimd. Op deze wijze is er slechts 1 behandeling nodig.
Om het resistentiegevaar tot een minimum te beperken, zal men zoveel mogelijk afwisselen. Er zijn daarvoor verschillende mogelijkheden, die aangepast kunnen worden aan de teeltwijze. (zie tabel 8).

Tabel 8 : bestrijdingsschema's voor de verschillende teeltwijzen.

PERIODE
SUBSTRAATTEELT
TEELT IN DE GROND
DOOR-
DRAGERS
TIJDSTIP
PRODUKT
TIJDSTIP
PRODUKT
PRODUKT
Zomer
Bloei

aug-sept
SANMITE

NEORON
-
-
afwisselend
SANMITE
NEORON
APOLLO
Nazomer
-
-
groei
eind sept
PEROPAL
PYRANICA

Herfst
kort na
oogst
PEROPAL
PYRANICA
-
-

Lente
bloei ->
kort vóór
oogst
SANMITE
NEORON
bloei ->
kort vóór
oogst
SANMITE
NEORON
-

Indien veel eieren zijn afgelegd, kan steeds APOLLO of NISSORUN aan het klassiek accaricide toegevoegd worden. NEORON heeft op doordragers een wachttijd van 3 dagen. Op andere teeltwijzen bedraagt de wachttijd 14 dagen.

Reeds enkele jaren wordt in de Proeftuin der Noorderkempen de biologische bestrijding met roofmijten nagegaan. De resultaten hiervan zijn zeer wisselvallig. Wij hebben de indruk dat de ontwikkeling van spint tijdens warme perioden te explosief verloopt, zodat de roofmijten de spintpopulatie onvoldoende kunnen onderdrukken. Bijkomend onderzoek is hier noodzakelijk.

[Boven]

AARDBEIMIJT

ALGEMEENHEDEN

Een aantasting door aardbeimijt resulteert meestal in een zeer groot financieel verlies. Bij aantasting blijven de hartbladeren klein met korte bladstelen. De bladschijf is sterk misvormd. Indien de aantasting reeds in het najaar is gebeurd, worden er weinig bloemtakken aangelegd.

De indruk bestaat dat aardbeimijt jaarlijks uitbreiding neemt. Warme droge zomers hebben een gunstige invloed op hun ontwikkeling. De meeste problemen doen zich voor in de substraatteelt en de teelt van Selva.



BESTRIJDING

Met betrekking tot de bestrijding hebben zich de laatste 10 jaar geen nieuwe ontwikkelingen meer voorgedaan. Er zijn 3 produkten toegelaten, nl. ENDOSULFAN (= Thiodan), MITAC en KELTHANE. Uit jarenlang onderzoek door het Opzoekingsstation van Gorsem blijkt dat 2 maal ENDOSULFAN spuiten met een tussenpauze van 8 à 10 dagen de beste en betrouwbaarste bestrijding garandeert. De werkingsgraden liggen tussen de 90 - 100%, indien het hart van de planten goed wordt behandeld. Met MITAC en KELTHANE zijn de resultaten eerder wisselvallig. Voor KELTHANE is bovendien een minimumtemperatuur van 18 °C vereist.

Toepassingstijdstip

Klassieke grondcultuur: 15-20 oktober (2 x kort na elkaar)
Substraatteelt: bij doorteelt zo vlug mogelijk na de najaarsoogst (2 x kort na elkaar)
Doordragers: juist vóór bloei. Tijdens de oogst kan men geen bestrijding meer uitvoeren.
Bij de substraatteelt en de klassieke teelt in de grond kan men tijdens de bloei in geval van aantasting nog een bestrijding uitvoeren met KELTHANE. Dit produkt heeft een wachttijd van 2 weken. De temperatuur is dan meestal voldoende hoog voor dit produkt.

In vermeerderingsvelden vraagt de aardbeimijtbestrijding speciale aandacht. Tijdens de maanden juli en augustus zijn minstens 2 à 3 bespuitingen nodig. Plantgoed dat vrij is van aardbeimijt is van essentieel belang voor de aanleg van produktiepercelen.

[Boven]

TRIPSEN

ALGEMEENHEDEN

De bloesems van onze aardbeien kunnen door 2 soorten van tripsen belaagd worden, meerbepaald de tabaktrips en de Californische trips. De schade die door beide soorten ontstaat kan zeer aanzienlijk zijn, vooral tijdens warme droge perioden. De meest gevreesde van beide is de Cali- fornische trips. De bestrijding ervan is zeer moeilijk, omdat deze soort verscholen leeft in gesloten bloemknoppen, of tussen de meeldraden van ontloken bloemen.

Schadebeeld

tabaktrips: de opperhuid van rijpe en onrijpe vruchten is tussen de zaadjes bruin verkurkt. Dit is het gevolg van het leegzuigen van de opperhuidcellen.
Californische trips: De vruchten zijn misvormd, aan een zijde afgeplat of aan de punt vaak ingesnoerd.
Deze vruchtmisvorming ontstaat door vraat aan stampers en meeldraden.



BESTRIJDING

De bestrijding van de tabaktrips baart meestal weinig zorgen. Aangezien deze soort zich ophoudt in reeds ontloken bloemen, zijn ze gemakkelijk te raken met insecticiden.

De meeste synthetische pyrethroiden zijn werkzaam tegen deze tripsensoort. Omdat de bestrijding tijdens de bloei dient te gebeuren zal men en produkt kiezen dat niet schadelijk is voor bijen. Het meest aangewezen is daarvoor TALSTAR FLO.

De bestrijding van Californische trips is zeer moeilijk. Door de verscholen leefwijze dringen de meeste insecticiden niet door tot aan de parasiet. Zelfs systemische produkten zijn ontoerijkend.

Van de in aardbeien toegelaten produkten vertonen enkel DICHLOORVOS en MEVINFOS (Phosdrin, Systephos, Mevinfos) enige activiteit. De werking berust op de wijze van verdampen. Ze verdampen zeer vlug en hebben daardoor een hoog indringend vermogen in de gesloten bloemknoppen.

In 1991 werd in samenwerking met de Proeftuin der Noorderkempen een onderzoek verricht naar de werking van 14 verschillende insecticiden. Daarin hadden Dichloorvos en Mevinfos een respectievelijke werkingsgraad van 60% en 76,5%.

Dichloorvos is het meest vluchtige van beide. Men gebruikt het daarom bij voorkeur onder glas. Mevinfos is vaak iets doeltreffender in openlucht. Beide produkten zijn giftig voor bijen. Spuit dus 's avonds na de bijenvlucht.

[Boven]

AARDBEIBLOESEMKEVER

ALGEMEENHEDEN

De schade van aardbeibloesemkever is zeer typisch. Volwassen wijfjes leggen hun eitjes in gesloten bloemknoppen en bijten nadien de bloemstengel net onder de knop af. De bloemknopjes knikken vervolgens om, verdrogen en vallen uiteindelijk op de grond. De omvang van de schade is afhankelijk van:

de ligging van het perceel : ingesloten percelen, of aanplantingen langs boskanten, hagen, e.d., lopen het grootste gevaar.
het ras: Elsanta en Selva worden matig bezocht door aardbeibloesemkever. Omdat de zeer gevoelige rassen niet meer gekweekt worden, hecht men tegenwoordig minder belang aan deze parasiet.
het bloeitijdstip: De eiafleg gebeurt vrij laat in de lente en tijdens de zomer. Daarom worden vervroegde teelten onder glas of plastiek bijna nooit aangetast. Bij de verlate teelt en de cultuur van doordragers kunnen wel grote verliezen optreden.
het klimaat tijdens de bloeiperiode: de aardbeibloesem- kever is enkel actief bij hoge temperatuur (> 20°C). Als het klimaat tijdens de bloeiperiode killig en somber is, bestaat er geen gevaar voor aantasting.

BESTRIJDING

Een betrouwbare bestrijding van aardbeibloesemkever is niet eenvoudig. De kevers verschijnen pas rond de bloeiperiode, zodat vele bestrijdingsmiddelen niet meer bruikbaar zijn omwille van de giftigheid voor bijen.

De bestrijdingsmogelijkheden zijn dus zeer beperkt.

Tabel 9: Mogelijkheden ter bestrijding van aardbeibloesemkever.

JUIST VOOR BLOEI TIJDENS BLOEI
(na de vlucht van de bijen)
AZINPHOS
GUSATHION- METHYL
MEVINFOS
PHOSDRIN
SYSTEPHOS
TALSTAR FLO

[Boven]

BLADLUIZEN

ALGEMEENHEDEN

De belangrijkste luizensoorten die soms op aardbeien voorkomen zijn:

de aardbeiknotshaarluis: de rechtstreekse schade door deze luizensoort is eerder beperkt. Naast het bevuilen van het gewas bestaat ze uit kleine stipjes die op de bladschijf ontstaan na het opzuigen van plantensappen. Onrechtstreeks kan deze luizensoort oorzaak zijn van virusbesmetting.
de sjalottenluis: deze luizensoort is enkel schadelijk na zachte winters. Een aantasting door deze luizensoort kan grote oogstverliezen tot gevolg hebben. Infecties treden gewoonlijk op in de vroege lente. De plant verkleurt blauw-groen, met sterk verdraaide bladeren. De meeste infecties vinden plaats langs graskanten.



BESTRIJDING

De bestrijding van bladluizen verloopt meestal zonder problemen. Hiervoor zijn voldoende goede insecticiden beschikbaar. De keuze van produken is afhankelijk van het toepassingstijdstip. Daarbij is het ontwikkelingsstadium van het gewas de bepalende factor (zie tabel 10).

Tabel 10: Keuze van produkten ter bestrijding van luizen.

TIJDSTIP ONTWIKKELINGSSTADIUM
VAN HET GEWAS
PRODUKTEN
NAJAAR
(september)
actieve groei
(system. prod.)
MEVINFOS, PHOSDRIN,...
HOSTAQUICK
VROEGE
VOORJAAR

(na zachte winter)
weinig groei
(contact prod.)
GUSATHION- METHYL
AZINPHOS
ENDOSULFAN
PIRIMOR G
VOORJAAR
(juist vóór bloei)
actieve groei
(system. prod.)
MEVINFOS, PHOSDRIN,...
HOSTAQUICK
PIRIMOR G
LENTE
bloei
(bijen!!)
TALSTAR FLO ('s avonds)
PIRIMOR G ('s avonds)
N.B.
VROEGE VOORJAAR: de bestrijding in het vroege voorjaar is meestal niet nodig. Enkel na een zachte winter kan er reeds vroeg luizenschade optreden.
LENTE (bloei): Indien de bestrijding juist vóór bloei correct werd uitgevoerd, is tijdens de bloei geen bestrijding nodig.

[Boven]

AALTJES

ALGEMEENHEDEN

Aaltjes zijn pootloze microskopisch kleine wormpjes. Ze kunnen zowel in de planten als vrij in de grond voorkomen. Naargelang de plaats van voorkomen maakt men volgend onderscheid:

bladaaltjes: deze leven enkel in de bladschijf. De bladeren zijn misvormd, kleiner dan normaal met spitse bladpunten. stengelaaltjes: deze leven in de blad- en bloemstengels. De stengels zien er dan verdikt, gedraaid en soms zelfs geribd uit. wortelaaltjes: afhankelijk van de aaltjessoort leven ze binnen of buiten het wortelgestel. De soorten die buiten het wortelgestel leven maken met hun mondstekel wondjes in de fijne haarworteltjes. Daardoor kunnen bodemschimmels gemakkelijk het wortelgestel binnendringen. Sommige soorten zouden ook virussen kunnen overdragen.



BESTRIJDING

De chemische bestrijding van stengel- en bladaaltjes is onmogelijk. In geval van besmetting moeten de planten verbrand worden.

De wortelaaltjes die vrij in de grond voorkomen kan men gemakkelijk bestrijden met klassieke grondontsmettings- middelen, o.a. CYANAMID DD-95, TELONE II, MONAM, BASAMID GRANULE, DROSIN GR 98.

De bestrijding is vooral op die percelen noodzakelijk waarop reeds vele jaren aardbeien geteeld werden. Men krijgt daardoor een sterke uitbreiding van de aaltjespopulatie. Dit verschijnsel noemt men in vaktermen "bodemmoeheid". Nieuwe percelen zijn meestal slechts weinig besmet met bodemaaltjes. Het belang van aaltjesbesmetting is het laatste decenium sterk afgenomen. Dit heeft te maken met de verschuiving van het produktiegebied naar nieuwe regionen. Meerbepaald in Limburg beschikt men over veel nieuwe percelen. Anderzijds wordt er in de oudere produktiecentra veel grondontsmetting toegepast ter bestrijding van verwelkingsziekte. Hiermee worden gelijktijdig de aaltjes afgedood.

[Boven]

DIERLIJKE PARASIETEN

Bodeminsecten

De belangrijkste schadelijke bodeminsecten zijn:

EMELTEN
Dit zijn pootloze grauw- groene larven die het wortelgestel grotendeels kunnen afvreten. De planten kwijnen snel weg. Emelten komen 't meeste voor op vochtige percelen, langs graskanten, of indien het perceel voordien grasland was.

RITNAALDEN
Ritnaalden zijn langwerpige bleekbruine wormen met een hard scelet. Ze vreten aan de jonge wortels, waardoor de planten langzaam wegkwijnen. Ze zijn het meeste te vrezen op humusrijke gronden, zoals op gescheurd grasland.

WORTELDUIZENDPOOT
Deze langwerpige, witachtige dieren,vreten de haarworteltjes af. Ze zijn voorzien van 1 paar poten per lichaamssegment.

LARVEN VAN DE LAPSNUITKEVER
Witte larven met een bruine kop vreten in het voorjaar het wortelgestel volledig af. De planten sterven op korte tijd helemaal af. De aantasting gebeurt mee met de rijrichting. Deze parasiet komt enkel plaatselijk voor.



BESTRIJDING

De bestrijding van emelten, ritnaalden en wortelduizendpoot, gebeurt vóór het planten. Men kan de grond bespuiten met LINDAAN, of PARATHION en nadien inwerken. Voor kleinere percelen bestaan er gekorrelde insecticiden, zoals ABATE en VOLATAN. Na het uitstrooien is inwerken noodzakelijk.

De bestrijding van de larven van de lapsnuitkever gebeurt in de vroege lente door de planten aan te gieten met EKAMET, of ENDOSULFAN.



Slakken en loopkevers

Slakken maken gave ronde gaten in het rijpe vruchtvlees. Slakkenvraat komt veelal voor tijdens vochtige perioden.

Loopkevers eten aan de zaadjes van rijpe en onrijpe vruchten. De schade komt plaatselijk voor.



BESTRIJDING

De bestrijding van slakken en loopkevers gebeurt door het uitstrooien van MESUROL LOKAAS. Dit uitstrooien moet gebeuren voordat de eerste vruchten rijp zijn.

[Boven] Terug naar index

[HOME] - [Tuinbouw] - [Aardbeien]