|
AARDBEIENTEELT OP SUBSTRAAT: BOORGEBREKIn de voedingsoplossing voor de teelt van aardbeien op veenbalen is de concentratie aan spoorelementen erg miniem. Van alle spoorelementen is boor één van de belangrijkste. Boor is namelijk van essentieel belang voor de ontwikkeling van de bloemen en dus voor een goede vruchtzetting. Een tekort aan boor kan bij aardbeien typische bloemabortie en vruchtmisvorming veroorzaken en komt tevens tot uiting in de vorm van tip-burn. Dat er omgekeerd echter ook te veel boor gegeven kan worden werd in vroeger onderzoek (1992-1994) op de proeftuin in Meerle aangetoond. Overmaat aan boor kenmerkt zich door bruin verkleurde bladranden en bruin verdroogde perkamentachtige vlekken in het bladmoes. In een later stadium verdrogen ook de kelkblaadjes en groeien de vruchten niet meer volledig uit. Bij een serieuze overmaat aan boor (meer dan 50 µmol/l) sterven de aardbeiplanten zelfs af. ONDERZOEK Op het Proefbedrijf der Noorderkempen te Meerle werden twee concentraties boor in de voedingsoplossing met elkaar vergeleken bij een teelt van Elsanta op veenbalen. Van bij het planten tot aan het einde van de oogst werd een standaard voedingsschema aan 1,4 EC gegeven. Eén partij planten kreeg kontinu 7,5 mmol/l toegediend, een tweede groep kreeg helemaal geen boor met de bedoeling kunstmatig boorgebrek op te wekken. Hiertoe werd volledig gezuiverd water (d.m.v. een ionenwisselaar) zonder boor gebruikt. De teelt werd met verse planten in 1997 opgezet in een plastictunnel. De helft van de planten werd op veenbalen, de andere helft op steenwolmatten geteeld. Er werd geoogst van 19 mei tot 25 juni 1998. De totale opbrengst, vruchtgewicht en vruchtzetting werden geregistreerd. Het boorgehalte in de de steenwolmatten en veen werden regelmatig bemonsterd om tot duidelijkere richtcijfers te komen. Boorgebrek Er werd een duidelijk positief effect gevonden tussen boor in de voedingsoplossing en anderzijds de bloemkwaliteit en de vruchtzetting (tabel 1). Wanneer geen boor toegediend werd ontstond een kort gedrongen gewas met korte bloemtakken. Typisch waren de kleine bloemetjes met vrijwel witte stampertjes. Het merendeel van deze bloemen aborteerde en groeide niet uit tot vruchtjes (85 % op veen, ruim 90 % op steenwol). Van de bloemen die uiteindelijk toch tot vruchten uitgroeiden was er meer dan een kwart bij de teelt op veen en ruim de helft bij de teelt op steenwol slecht gezet. Typisch voor het boorgebrek waren de knoopvormige afgeplatte vruchten. Hierbij lagen erg kleine zaadjes gekoncentreerd rond het afgeplatte vruchtuiteinde. Dat een tekort aan boor wel degelijk serieuze gevolgen kan hebben voor de vruchtuitgroei en productie werd dus duidelijk aangetoond. Werd er geen boor toegediend dan werden er niet alleen aanzienlijk minder vruchten maar ook duidelijk kleinere vruchten geoogst. Vooral op steenwol waren de gevolgen extreem. De opbrengstderving bedroeg op veen bijna 90 % (0,62 kg tov 5,39 kg per m²), op steenwol was dit ruim 95 % (0,22 kg tov 4,74 kg per m²). Boorgebrek uitte zich tevens in de vorm van zogenaamde broeiknoppen (tip-burn) van de jongere nieuw gevormde bladeren. Wanneer geen boor gedoseerd werd met de voedingsoplossing had dit tot gevolg dat 35,7 % van alle bladeren de typische verbrandingssymptomen (gebobbelde bladeren) vertoonden. Het boorgehalte in de bladeren dook in dit geval onder 25 ppm. Het boorcijfer in het veen bedroeg minder dan 4 µmol per liter (1:1,5 extract), terwijl in de steenwolmatten het gehalte aan boor onder de detectiegrens lag. Bij het toedienen van 7,5 µmol boor per liter voedingsoplossing werd vrijwel geen bladverbranding vastgesteld (minder dan 2 % van de bladeren met tip-burn symptomen). Het boorgehalte lag bij deze dosering tussen 40 en 55 ppm in de bladeren terwijl in een venig extrakt 10 tot 15 µmol/l werd teruggevonden. In de steenwolmatten werden cijfers tussen 7 en 15 µmol gehaald. BESLUIT Voor een goede zetting is boor een absoluut noodzakelijk element in de voedingsoplossing. Bij gebrek aan boor is het merendeel van de bloemen onvolledig ontwikkeld en niet vruchtbaar. Tekort aan boor leidt dan ook tot een geringe vruchtzetting en een aanzienlijk productieverlies. Er wordt daarom gestreefd naar een boorgifte tussen 7,5 en 10 µmol per liter. Uit vroeger onderzoek weten we dat het verder verhogen van de boorconcentratie geen verbetering van de vruchtzetting tot gevolg heeft. Integendeel, op termijn kan dit leiden tot bladrandverbranding, een geringere groeikracht, kleinere vruchten en tenslotte een lagere opbrengst. Filip Lieten, Proefbedrijf der Noorderkempen, Meerle Onderzoek gesubsidieerd door het Ministerie van Middenstand en Landbouw, Administratie Onderzoek en Ontwikkeling DG6 Tabel 1 : Effect van het boorgehalte in de voedingsoplossing op de vruchtzetting bij de teelt op veen en steenwol
Tabel 2 : Effect van het boorgehalte in de voedingsoplossing op de opbrengst bij de teelt op veen en steenwol.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||