Agris logo

Toekomstvisie op de Belgische fruitteelt

Minister van Landbouw Karel Pinxten

Juli 1998

INLEIDING

De fruitteelt in België bevindt zich in een moeilijke situatie. Die kan worden teruggevoerd tot de productie en verkoop van hardfruit en geldt trouwens eveneens voor de ons omringende landen.(1)

Er is het structurele probleem van de steeds toenemende Europese en wereldproductie, gepaard gaande met een liberalisering van de wereldhandel.

Bovendien wordt onze productie al te vaak slachtoffer van klimatologische gebeurtenissen. Deze liggen aan de basis van de huidige conjuncturele moeilijkheden.

Nochtans beschikt de Belgische fruitsector over een aantal belangrijke troeven:

  • de Belgische fruittelers zijn vakbekwame producenten met een grote werkkracht;
  • de veilingen als coöperatieve vennootschappen vormen belangrijke commercialisatiekanalen en hebben als dusdanig de groei en bloei van de fruitsector in hoge mate bepaald;
  • het onderzoeks- en ontwikkelingswerk in de fruitsector staan op een zeer hoog niveau.

De toekomstvisie voor de fruitteelt zoals hierna toegelicht schetst de belangrijkste knelpunten en geeft de oriëntaties weer om hieraan tegemoet te komen.

__________

(1) Aangezien de teelt van zachtfruit (o.a. aardbeien) minder wordt geconfronteerd met gelijkaardige problemen richt deze toekomstvisie zich hoofdzakelijk tot de sector van het hardfruit. De beleidsvisie op de behandelde onderwerpen geldt - mutatis mutandis - echter ook voor zachtfruit.

1. SITUERING VAN DE BELGISCHE FRUITTEELT IN EUROPA

1.1. Economisch belang van de Belgische productie in 1995(1)

Landbouw totaal

Tuinbouw

Fruit

Hardfruit

242,9 miljard BEF

56,6

14,5

10,7

= 100 %

= 23,3 %

=    6 %

= 4,4 %

(1) Referentiejaar = 1995, als zijnde een jaar met een normale productie
(de cijfers van 1996 en 1997 zijn minder representatief).

1.2. Productie in België t.o.v. EU-lidstaten in 1995

 

APPELEN IN TON

PEREN IN TON

Frankrijk

Italië

Spanje

Nederland

Duitsland

België

Griekenland

U.K.

Portugal

Oostenrijk

Denemarken

Zweden

Ierland

Luxemburg

1.980.000

1.889.000

779.000

595.000

572.000

508.000

314.000

254.000

175.000

128.000

30.000

17.000

9.000

4.000

315.000

958.000

457.000

165.000

39.000

156.000

55.000

36.000

87.000

4.000

2.000

Totaal

7.257.000

2.277.032

1.3. Het productieareaal bestaat uit 16.700 ha appelen en 6.000 ha peren waarvan ongeveer 53 % in Limburg.

Dit fruit wordt geteeld door ongeveer 2.500 K.M.O.’s waarvan er 1.550 als gespecialiseerd mogen omschreven worden. Bovendien zijn er nog een aanzienlijk aantal hobby-fruittelers.

1.4. De productiewaarde van het hardfruit is tussen 1980 en 1995 bijna verdrievoudigd: van 3,7 miljard frank in 1980 tot 10,7 miljard frank in 1995. Rekening houdend met de inflatie betekent dit een stijging met + 55 %.

(cfr. landbouwsector : - 21 % !)

1.5. In 1995 werden ongeveer 66 % van de Belgische appelen en 74 % van de peren verhandeld via veilingen.

1.6. Invoer/uitvoer

De totale handelsbalans voor vers fruit (exclusief zuidvruchten zoals citrus, bananen,...) was positief in ‘95 en negatief in ‘96 o.a.:

  • voor appelen is er meestal meer uitvoer dan invoer, soms is dit omgekeerd (bv. 1996)
  • voor peren is er steeds meer uitvoer dan invoer.

1.7. Het structureel overaanbod van fruit zowel op de Europese als op de wereldmarkt wordt meer en meer duidelijk.

De symptomen hiervan in België manifesteerden zich met enige vertraging dankzij het succes van de Jonagold.

2. OPTIMALISATIE VAN DE BEDRIJFSVOERING

2.1. De bedrijfsvoering van heel wat telers blijft tot op heden afgestemd op gevoelsmatige indrukken of op algemene adviezen door derden.

Het voeren van een bedrijfsboekhouding is echter een absolute noodzaak. Enkel dan kunnen de nodige individuele adviezen voor de optimalisatie van de productie en het bedrijfsrendement bedrijf per bedrijf gegeven worden.

Het Ministerie van Middenstand en Landbouw ondersteunt het voeren van bedrijfseconomische boekhoudingen via een financiële tegemoetkoming gedurende 5 jaar aan de bedrijfsleiders die hiernaar overschakelen.

Deze dient aangevuld te worden met een perceelsregistratie op technisch niveau: wie doet wat, wanneer en met welk resultaat?

Hierbij sluit de telersbegeleiding aan die momenteel wordt uitgebouwd door de afdeling "Diensten aan telers" van het Proefcentrum voor de Fruitteelt (PCF).

Regelmatige evaluatie van de resultaten van deze 2 administratieve activiteiten bezorgen de telers de nodige inzichten om het bedrijfseconomische en het bedrijfstechnische rendement te optimaliseren.

2.2. In de fruitteelt wordt de productiefactor arbeid als een knelpunt ervaren.

Het totaal van de kosten aan gepresteerde arbeid door derden bedraagt 18 à 20 %.

De fruitteelt, zoals de volledige tuinbouw, kan in ons land van een aantal tewerkstellingsfaciliteiten genieten. De lonen variëren tussen 250 BEF/uur voor seizoenarbeiders en 305 BEF/uur voor geschoolde vaste werknemers. Voor de vaste werknemers dienen hierbij de RSZ-bijdragen verrekend te worden (ongeveer 49 % voor de werkgever) maar voor seizoenarbeiders zijn slechts beperkte bijdragen voorzien (ongeveer 112 BEF/dag voor de werkgever). Gedurende 95 dagen per jaar mag de fruitteler beroep doen op een onbeperkt aantal seizoenarbeiders. Om deze flexibiliteit wettelijk te kunnen kaderen dienen er 3 sociale documenten te worden bijgehouden nl het aanwezigheidsregister, het individueel aanwezigheidszakboekje en de plukkaart (=enkel voor seizoenarbeiders).

Ofschoon de arbeidsregelingen niet altijd exact te vergelijken zijn valt het op dat de kostprijs van vaste werknemers in de Belgische landbouw de vergelijking met de ons omringende landen goed kan doorstaan en dat de regeling voor seizoenarbeid in België als flexibel mag omschreven worden. In Nederland bv. kan een seizoenarbeider slechts gedurende 1 aaneensluitende periode van 6 weken per jaar ingezet worden.

Ten opzichte van sommige zuiderse lidstaten en vooral t.o.v. derde landen waar de lonen vaak nog veel lager liggen blijft de Belgische fruitteelt op het vlak van de arbeidskost benadeeld. Dit hangt echter samen met het levenspeil en de arbeidsproductiviteit in ons land.

Bovendien dient men er rekening mee te houden dat het aantrekken van tijdelijke goedkope buitenlandse arbeidskrachten een onstabiele basis vormt voor de sector.

De oplossing moet dan ook vooral gezocht worden in een nog meer doorgedreven optimalisatie van de arbeidsorganisatie.

  • De invloed van het bedrijfsbeheer kan worden afgeleid uit de spreiding van het arbeidsinkomen. Zo werkte in het boekjaar 1996(97) 17 % van de fruittelers met een negatief arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht en dus met verlies. Nochtans kon in hetzelfde jaar 21 % van de fruittelers rekenen op een arbeidsinkomen van meer dan 1.000.000 BEF per volwaardige arbeidskracht.

  • Voor elk bedrijf dient de optimale inzet van de productiefactor arbeid gevonden te worden via de bedrijfsboekhouding. Het algemene gegeven dat de arbeidsintensiteit per ha op grote bedrijven lager (tot 20 %) is dan op kleine bedrijven dient voorzichting gehanteerd te worden aangezien arbeid slechts één van de productiefactoren is.

  • Arbeid moet leiden tot een zo hoog mogelijke toegevoegde waarde m.a.w. enkel hoge kwaliteitsproductie is verantwoord.

  • Op de proeftuin voor grootfruit te Velm zijn er jaarlijks demonstratieproeven te bezichtigen i.v.m. arbeidsrationalisatie (o.a. dunproeven, plantsystemen).

2.3. De rendabiliteit in de fruitteelt kan sterk verschillen van jaar tot jaar ondermeer door productieverschillen als gevolg van klimatologische omstandigheden.

In goede jaren is het ondernemersinkomen (= inkomen voor arbeid, bedrijfsbeheer en kapitaal) veel groter dan het arbeidsinkomen per arbeidseenheid. In slechte jaren is dit net omgekeerd.

Bij de bedrijfsvoering dient hiermee rekening te worden gehouden door het aanleggen van een financiële reserve voor de moeilijke periodes. De bedrijfsgrootte dient evenzo rekening te houden met een gezonde solvabiliteit : een hoog % eigen kapitaal t.o.v. het totale kapitaal geeft een grotere bedrijfsstabiliteit.

De solvabiliteit van de Belgische fruitbedrijven bedraagt gemiddeld 70 %, wat goed mag genoemd worden.

Investeringen in oogstzekerheid o.a. voor beregening of fertigatie op (een gedeelte van) het bedrijf kunnen fungeren als een vangnet voor klimatologische risico’s.

2.4. Een kwaliteitsgerichte productie is de enige verantwoorde strategie in een overvolle markt. Het kwaliteitsprobleem bij Jonagold afkomstig van oudere bomen is gekend.

Op de bedrijven dient gestreeft te worden naar een continue verjonging van het areaal en naar een diversificatie in de variëteiten (zie verder).

2.5. Bovendien is gebleken dat de jaarrond bewaring van inlands fruit vaak niet leidt tot een aantrekkelijk eindproduct.

De jaarrond bewaring van fruit dient daarom in vraag gesteld te worden. Fruit voor lange bewaring wordt vaak te vroeg geplukt waardoor de smaak vermindert: dit onderstreept het belang van het optimale pluktijdstip.

Gezien de impact van fruitbewaring op het jaarinkomen van de producent is het belangrijk om rond plukttijdstip en bewaring goede afspraken te maken tussen veiling en producent (zie verder).

3. VARIETEITEN

* Belangrijke variëteiten in BE t.o.v. de E.U.

APPELEN IN BE IN E.U.

Jonagold

Golden Delicious

Cox Orange

Elstar

Boskoop

Gloster

62 %

9 %

2 %

4 %

8 %

2 %

van het totaal in BE

10,9 %

38,4 %

2,5 %

4,6 %

1,6 %

1,3 %

van het totaal in de EU

 

PEREN

IN BE IN E.U.

Conference

Doyenné du Comice

Durondeau

77 %

12 %

8 %

21 %

8 %

 

Referentiejaar = 1995, als jaar met een normale productie

 

Het assortiment voor appelen (voornamelijk Jonagold) en peren (voornamelijk Conference) in ons land is te eenzijdig. Differentiatie en vernieuwing dringen zich op, zonder dat de klassieke rassen hierdoor hun waarde zouden verliezen !

Hoogwaardige wetenschappelijke kennis is beschikbaar in België om nieuwe variëteiten te ontwikkelen.

Het zal echter nog een aantal jaren duren vooraleer de resultaten hiervan voelbaar worden op de lokale markt.

De sector dient het onderzoek terzake mee te ondersteunen, ook financieel (bv. via de programma’s in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO)).

Samenwerkingsverbanden met veredelingshuizen kunnen aangewezen zijn aangezien aan de vermeerdering en aanplant van nieuwe rassen niet alleen octrooivergoedingen maar meer en meer ook teeltvoorwaarden gekoppeld worden (cfr strategie van The Greenery in Nederland).

Eens een nieuw ras ter beschikking zal een uitgebreide ondersteuning vanwege de sector en de markt nodig zijn om de introductie te bewerkstelligen.

4. KWALITEIT

Ten gevolge van de hoge productiekost in België en de maatschappelijke verwachtingen is er in ons land enkel plaats voor een hoogwaardige kwaliteitsproductie. Kwaliteit slaat hierbij dan zowel op het product zelf als op de verpakking, de presentatie en de dienstverlening. Het is het belangrijkste wapen om zich te onderscheiden van de concurrentie.

Bij controles uitgevoerd door het Ministerie van Middenstand en Landbouw blijkt dat er hier nog een belangrijke weg is af te leggen.

4.1. De kwaliteitseisen van de handel en de consumenten ten aanzien van de producten dienen strikt en uniform te worden gerespecteerd.

Hiervoor is een strenge en objectieve kwaliteitscontrole onmisbaar. Om de onafhankelijkheid te garanderen dient de kwaliteitscontrole uitbesteed te worden aan een overkoepelend onafhankelijk controleorganisme. Dit kan een gespecialiseerd extern organisme zijn ofwel resulteren uit het samenbrengen van de huidige controleurs van de verschillende veilingen in 1 onafhankelijke VZW die de controles in alle betrokken veilingen overkoepelt. Dit organisme dient zich op termijn te laten accrediteren.

Een dergelijk organisme is dan ook goed geplaatst om een eenduidige procedure voor geschillenregeling uit te werken.

4.2. Momenteel wordt er aan de distributie en aan de consument geen kwaliteitsgarantie na verkoop geboden.

Om de goede relaties met afnemers te bestendigen is het nodig dat onder welomschreven voorwaarden een kwaliteitsgarantie gedurende een vaste periode na verkoop wordt geboden.

De kwaliteitsbewaking in het stadium na de veiling dient te kaderen in een integrale ketenzorg (IKZ) waarbij overleg met alle schakels van de keten nodig is.

De eisen van de markt moeten terug te vinden zijn in alle onderdelen van de keten. Dit biedt bovendien de mogelijkheid tot differentiatie en valorisatie van de aanwezige know how en investeringen.

De concrete uitwerking is het werkterrein van een brancheorganisatie bestaande uit de productie, de handel (en de verwerking).

In een aantal gevallen wordt de tijdsduur tussen het klaarmaken en de verkoop aan de consument als te lang ervaren.

De oplossing kan bestaan in het aanbrengen van een datumcodering die de consument informeert over de tijdsduur tussen het klaarmaken en de verkoop in de detailhandel. Het is een stimulans om deze tijdsduur te verkorten.

4.3. In geval van overproductie zou via een interprofessioneel akkoord kunnen beslist worden om bepaalde lagere kwaliteitsklassen enkel als industriefruit in de handel toe te laten.

5. MARKTEN

Waar de sector vroeger te maken had met een verkopersmarkt wordt zij meer en meer geconfronteerd met een kopersmarkt.

Dat betekent dat de impact van de verkoper op de marktprijs verdwijnt.

Bovendien is de verkoop van monoproducten naar monomarkten aan herziening toe.

Om hieraan het hoofd te bieden dient de marketingstrategie flexibel in te spelen op een aantal opportuniteiten die zich vooral aan handelszijde manifesteren : een stijgende vrije wereldhandel, de concentratie van de vraag, de nood aan ketenbeheer, de toenemende eisen vanwege de consumenten en de evolutie in de informaticatechnologie.

De Belgische fruitproductie bevindt zich in een moeilijke prijstechnische situatie t.o.v. de internationale concurrentie. Vandaar dat de 2 andere commerciële troeven, nl. kwaliteit en productiewijze, des te beter dienen uitgespeeld te worden.

5.1. Concrete markttendensen waarop dient ingespeeld te worden.

  • De integrale ketenbewaking wordt een must. Opvolging van het product via de inkopers tot bij de klant is noodzakelijk om zich correct te kunnen positioneren op de markt.

  • Een stijgend aandeel van het fruit wordt geproduceerd volgens een lastenboek o.a. voor de gevoerde merkenpolitiek evenals voor milieutechnische redenen. Anderzijds stelt ook de distributie steeds grotere eisen en daalt de betekenis van een gestandardiseerd product zonder specificaties. Op deze tendenzen dient de marketingstrategie pro-actief in te spelen : de productie dient zich te richten op de markteisen maar evenzo dienen de markteisen een duurzame productie te stimuleren.

    De geïntegreerde fruitproductie volgens lastenboek is hiervan een illustratie. Ofschoon met deze productiewijze wordt ingespeeld op een belangrijke en steeds toenemende vraag van de distributie en de consument, blijft de marketingstrategie tot op heden in gebreke. Dit heeft ondermeer te maken met een te beperkte naambekendheid van de productiemethode.

  • Een uitgebreide dienstverlening hoort bij het commerciële kwaliteitsbeleid. De veilingen krijgen daardoor een steeds zwaarder wordende opdracht als dienstencentrum toebedeeld.

  • Kennis van de markt moet toelaten om het aanbod te diversifiëren volgens de eigen wensen van specifieke deelmarkten. Deze marktsegmentatie leidt tot een hogere prijsvorming. Bovendien laat een breed spectrum van deelafzetmarkten toe de verschillende fracties (variëteiten of sorteringen) van de productie optimaal te valoriseren.
  • Een andere vorm van marktstrategie is de gevoerde merkenpolitiek.

    Niettegenstaande de vaak aanzienlijke budgetten voor promotie en marketing blijkt toch vaak dat het effect bij de consument beperkt is. Het gebruik van merknamen kan anderzijds helpen om specifieke kenmerken van een bepaald product te accentueren en om niches in de markt in te vullen. Als kwaliteitslabel gekoppeld aan een lastenboek kunnen zij een extra garantie bieden. De merkenpolitiek dient centraal te worden gestuurd om versnippering van het aanbod en verwarring bij de consument te voorkomen.

    Voor de uitbouw van een marketingstrategie kan de oprichting van een brancheorganisatie waarin productie, handel en verwerking zijn vertegenwoordigd leiden tot een interessant beheersplatform.

    5.2. Afstemming van de markt van vraag en aanbod.

    Slagkracht op de markt is enkel mogelijk indien men voldoende zicht heeft op het aanbod. Hiervoor moet de beschikbare informatie ingezameld worden.

    Dankzij de bestaande technologie is een snelle gegevensuitwisseling mogelijk. Een gestandardiseerd informaticasysteem tussen de telers en de veilingen dient hiervoor uitgebouwd te worden. Daarbij is samenwerking tussen de veilingen onontbeerlijk, niet alleen opdat niet elke veiling een eigen informaticasysteem zou opzetten, maar evenzeer om een globaal inzicht te verwerven in vraag en aanbod.

    Via een gepaste communicatiestrategie tussen veilingen en telers dienen de veilingen actief de productie o.a. op vlak van kwaliteit en lastenboeken mee te sturen.

    De verkoopsorganisatie moet via een aantal afspraken met de teler tot op zekere hoogte zelf kunnen bepalen wanneer de productie van de teler op de markt komt. Wanneer alle telers eenzijdig speculeren verkrijgt men een te gefragmenteerde commercialisatie en sluit dit verkoopsplanning uit.

    Bovendien dient de aanbodplanning gebruikt te worden om, indien nodig, tijdig contracten af te sluiten voor levering aan de verwerkingsindustrie.

    De interne markt

    De E.U.- markt blijft de grootste bestemming van onze producten behouden.

    Naast de Belgische markt zijn Nederland en Duitsland de belangrijkste landen van bestemming.

    Men dient zich te realiseren dat ons productiegebied omringd wordt door een zeer koopkrachtige markt die hoge kwaliteitseisen stelt en een gevarieerd aanbod verlangt. Ook de aandacht voor een milieuvriendelijk geteeld product stijgt.

    Externe en nieuwe markten

    Ofschoon het hoofdbelang van de E.U.-markt blijft de exportbehoefte groot gezien het belangrijke productiepotentieel.

    Nieuwe markten die nog kunnen ontwikkeld worden zijn te vinden in Oost-Europa, het Midden Oosten en het Verre Oosten.

    Bij het uitwerken van een marketingstrategie zal men zich moeten concentreren op een aantal prioritaire markten die doelgericht en efficiënt worden bewerkt met de beperkte (promotie-)middelen. Naarmate de doelstellingen op prioritaire markten worden gerealiseerd kan de lijst van doelmarkten worden uitgebreid.

    Het bewerken van nieuwe markten kan het best gebeuren door een overkoepelend gespecialiseerd prospectieteam dat de ervaringen en de (teelt-)technische informatie continu terugkoppelt naar de thuisbasis.

    6.VERWERKING

    De kansen voor rendabele fruitverwerkingsbedrijven in ons land zijn beperkt.

    nl. : * de productiekost van het fruit is hoog t.o.v. heel wat andere landen;

    * de productie is te wisselvallig om een continue bevoorrading te garanderen;

    * een fluctuerend prijspeil wordt door de verwerkingsindustrie als zeer nadelig ervaren.

    Het huidige aanbod en de know how in ons land zijn gericht op de productie en commercialisatie van dessertfruit.

    Anderzijds heeft de handel wel nood aan een beschikbaar afzetkanaal voor het fruit van mindere kwaliteit. Jaarlijks gaat immers 20 à 25 % van de fruitproductie naar de verwerkingsindustrie. Langetermijnafspraken met de bestaande verwerkingsindustrie is hier zeker aangewezen.

    Via een marktstudie kan worden nagegaan welke de minimale uitbatingsvoorwaarden zijn opdat de specifieke fruitverwerking (bv. tot fruitpreparaten of tot pectine) rendabel zou zijn in België.

    7. COMMERCIALISATIESTRUCTUUR

    De erkende telersverenigingen (veilingen) vormen een geschikt instrument om een geconcentreerd aanbod aan fruit op een professionele wijze te vermarkten. De veilingklok is daartoe zeer efficiënt gebleken, vooral in een aanbodgericht verkoopsysteem. De klok blijft dan ook noodzakelijk voor de directe handel en voor binnenlandse leveringen.

    De huidige wijzigende marktsituatie doet de nood ontstaan aan een overkoepelende structuur waar via een nog verder doorgedreven concentratie van het aanbod een actief marketingsysteem kan uitgebouwd worden met voldoende slagkracht t.o.v. de distributie.

    Dit biedt mogelijkheden voor een meer stabiele prijsvorming, grotere transacties, termijnhandel, continue klantenbinding, inspelen op de markteisen.

    Deze structuur dient te bestaan uit een overkoepelend verkoopplatform waarin alle fruitveilingen participeren. Dit platform kan in opdracht van de individuele veilingen dankzij de schaalvoordelen op een efficiëntere manier een aantal taken overnemen.

    De toegevoegde waarde van een dergelijk verkoopsplatform zit vervat in :

    • de grotere slagkracht om markten te bewerken, als tegengewicht tegen de groeiende concentratie aan inkoperszijde;
    • het valoriseren van de relaties met eindafnemers door het continu leveren van een hoogwaardig en breed fruit- en dienstenpakket;
    • de verminderde interne concurrentie dankzij de samenspraak tussen het platform en de veilingen over wie welke klant eventueel samen bedient;
    • de mogelijkheid om een eigen marktstrategie met een specifieke identiteit uit te bouwen.

    7.1. Uitgangspunten voor het concept

    • alleen door het verder samenvoegen van het aanbod kan aan de vraag van grote ketens voldaan worden;
    • langdurige prijsafspraken verhogen de stabiliteit van het inkomen van de fruitteler;
    • via jaarafspraken met de telers dient het verkoopplatform geheel of gedeeltelijk te kunnen beschikken over de gestockeerde voorraden. Terugkoppeling is nodig, bv. via een evaluatie op het einde van elk seizoen;
    • de deelnemende veilingen zijn de regisseurs van een overkoepelend informaticanetwerk dat wordt aangestuurd door het verkoopplatform. Op dit netwerk dient eveneens de productie, de handel en de distributie aan te sluiten voor de synchronisatie van de vraag- en aanbodstroom;
    • voldoende transparantie van de marketing t.o.v. de producenten is onmisbaar bij de opbouw van de communicatiestrategie. Dit geldt met name voor de termijnhandel.

    7.2. Taken voor het verkoopplatform

    • de realisatie van een coherente fruitexport in nauwe samenwerking met de exporteurs teneinde de marktkansen op de buitenlandse afzetmarkten optimaal te benutten.
    • de organisatie van termijnhandel (van meerweken- tot meermaandenovereenkomsten) als volwaardig alternatief naast de veilingklok. Zowel langs de zijde van de fruittelers als langs de zijde van de handelaars en de distributie zal dit resulteren in een grotere zekerheid van afzet, continuïteit in toelevering van grote volumes en meer stabiliteit in de prijsvorming;
  • de levering van industriefruit in samenspraak met de veilingen aan één verwerkingsfabriek waarmee termijnafspraken worden gemaakt op basis van de marktvooruitzichten.

    7.3. Logistieke organisatie

    Het overkoepelend verkoopplatform dient te ontstaan uit de samenwerking tussen:

    ° de veilingen:

    1. als verzamelpunten voor fruit;

    2. voor de simultaanverkoop en transacties met binnenlandse handelsbedrijven;
    3. als bewaarlocaties met de beschikbaarheid over grote bewaarcapaciteiten.

    ° een nog uit te bouwen gemeenschappelijk commercialisatiecomplex:

    1. als operationele structuur voor de vermarkting van grote volumes naar het buitenland en voor de termijnhandel;
    2. met een aanvoercentrum voor fruit met de mogelijkheid voor grootschalige efficiënte overslag en bewerkingsfaciliteiten;

    3. met een sorteer- en verpakkingsstation;
    4. met een depot voor kisten en verpakkingsmateriaal;
    5. met de faciliteiten voor een onafhankelijke kwaliteitscontrole.

    Hiermee kan op een snelle, efficiënte en flexibele manier worden ingespeeld op de wensen van de klant.

    Een locatie van deze infrastructuur in het hoofdteeltgebied en in de nabijheid van de bestaande fruitveilingen is hiervoor aangewezen.

    8. ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

    Vernieuwingen in de fruitsector worden aangebracht vanuit het wetenschappelijk onderzoek. Ontwikkelingsactiviteiten behelzen dan meer de omkadering van de sector met informatie en demonstratie om de productiebedrijven te dirigeren naar een kwalitatief en kwantitatief geoptimaliseerde teelt.

    8.1. Het wetenschappelijk onderzoek voor de fruitteelt gebeurt aan de universiteiten, de federale onderzoeksstations, het Opzoekingstation van Gorsem en in zekere mate ook in de erkende proefstations. De overheidssteun wordt toegekend door het Ministerie van Middenstand en Landbouw. De toegekende budgetten zijn aanzienlijk : zo werden in 1996 en 1997 tesamen voor 166 miljoen BEF toelagen verstrekt aan het contractueel onderzoek in de fruitteelt.

    8.2. Het vertalen van de onderzoeksresultaten naar praktische informatie en demonstratie gebeurt in België door de erkende proefstations voor fruit. Hiervoor stelt het Ministerie van Middenstand en Landbouw jaarlijks een budget van meer dan 10 miljoen BEF ter beschikking.

    Om te garanderen dat de acties van onderzoek en ontwikkeling geïntegreerd verlopen en aansluiten bij de behoeften vanuit de sector werd in 1997 het overkoepelend Proefcentrum voor de Fruitteelt vzw (PCF) opgericht dat eveneens financieel wordt ondersteund door het Ministerie van Middenstand en Landbouw.

    Twee adviserende vertegenwoordigers vanwege het Ministerie van Middenstand en Landbouw werden aangewezen om in de verschillende Bestuurscomités en in de Raad van Beheer van het PCF de coördinatie van het onderzoek en de ontwikkeling te ondersteunen.

    8.3. Het is meer dan ooit noodzakelijk dat de fruitsector zelf actief participeert in het oriënteren van deze activiteiten, zowel inhoudelijk als financieel. Dankzij de nieuwe GMO krijgen de veilingen als erkende telersverenigingen hierbij extra mogelijkheden.

    8.4. Het huidige actieterrein voor onderzoek en ontwikkeling concentreert zich rond 4 thema’s:

    ° rassenvernieuwing;

    ° oogstzekerheid;

    ° milieuvriendelijke teelttechnieken;

    ° integrale ketenbewaking.

    9. GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTKORDENING (GMO)

    Aangezien de GMO de basis aangeeft voor de bepaling van de marktstrategie, dienen de initiatieven van de veilingen als erkende telersverenigingen hierin te passen. De beschikbare Europese steun (ongeveer 1,3 miljard BEF over een periode van 5 jaar) dient optimaal geïnvesteerd te worden opdat de Belgische fruitteelt haar toppositie in Europa zou kunnen handhaven.

    Van de erkende telersverenigingen wordt tegen 15/09/1998 een ontwerp van operationeel programma voor 5 jaar verwacht ter goedkeuring door de bevoegde overheden. Deze telersverenigingen dragen dan ook een grote verantwoordelijkheid bij de planning en de realisatie van de GMO-programma’s ten bate van de volledige productiesector.

    Hierbij worden een aantal voorwaarden gesteld. Deze betreffen ondermeer :

    • samenwerking voor opmaak en uitvoering van de programma’s;
    • een duidelijke planning voor de programmatie van de productie;
    • een communicatiestrategie met de telers/sector;
    • een hoge kwaliteitsgarantie;
    • een slagvaardige benadering van de markt;
    • deelname aan overkoepelende onderzoeksprojecten;
    • het actief ondersteunen van milieuvriendelijke productietechnieken;
    • de valorisatie van geïntegreerd geproduceerd fruit;
    • de verbreding van het draagvlak van een aantal acties door een erkende brancheorganisatie waardoor een hogere E.U.-steun kan bekomen worden.

    Deze nieuwe GMO-mogelijkheden kunnen maximaal effect voor de sector ressorteren wanneer alle betrokken veilingen 1 gemeenschappelijk operationeel programma indienen waarin een aantal gezamelijke acties zijn voorzien.

    BESLUIT

    Om de toppositie van onze Belgische fruitteelt in Europa te behouden dient zowel de productie als de commercialisatie geheroriënteerd te worden.

    Een mentaliteitsverandering bij de telers en bij de handel is hiervoor nodig.

    De productie dient geoptimaliseerd te worden vooral op het vlak van kwaliteit en marktgerichtheid.

    De commercialisatiestructuur is dringend aan een grondige vernieuwing toe om een slagvaardige vermarkting uit te bouwen.

    De Gemeenschappelijke Martktordening vormt de stuwende kracht voor een vernieuwend kader en reikt hiertoe belangrijke financiële middelen aan.

    De bestaande veilingen dragen hierin een grote verantwoordelijkheid als erkende telersverenigingen. Onderlinge samenwerking is hierbij absoluut nodig om een maximaal effect voor de fruitsector te ressorteren.

    De oprichting van een brancheorganisatie waarin zowel de telers, de handel als de verwerking vertegenwoordigd is, kan de communicatie tussen de verschillende actoren stimuleren, een aantal acties breder dragen en bovendien resulteren in een hogere Europese subsidiëring.

    In het algemeen kadert de vertegenwoordiging van de sector via brancheorganisaties in de "Oriëntatienota voor Landbouw" die op initiatief van de heer Minister K. PINXTEN op 26 juni ll. door de Regering werd goedgekeurd.

  • [HOME] - [Tuinbouw] - [Algemeen]