|
Kabinet van de Minister van Landbouw en de K.M.O.
Orientatienota voor de landbouwJUNI 1998Goedgekeurd door de Regering op 26 juni 1998
MEMORIE VAN TOELICHTING HOOFDSTUK IWAT DE SAMENLEVING VAN DE LANDBOUW VERWACHT In een tijd van aanhoudende sociale en economische veranderingen waarin alles steeds complexer en onzekerder wordt, is de samenleving op zoek naar nieuwe herkenningspunten, een duidelijker identiteit en meer zingeving. De landbouw heeft thans twee gezichten die volgens sommigen aan elkaar tegengesteld zijn. Enerzijds is er het affectieve imago van de grondgebonden landbouw met een rurale ver-ankering en met het beeld van de landbouwer dicht bij de natuur. Anderzijds is er het rationele imago waarbij de landbouw wordt gezien als een economische sector die werk en toegevoegde waarde verschaft. Die nauwe verstrengeling van economie, tewerkstelling en bodem die de landbouw kenmerkt, is een uiting van zijn polyvalentie. Specifieke en hoge verwachtingen De verwachtingen van de bevolking bepalen de richting die de landbouw moet inslaan en de doelstellingen die in het landbouwbeleid moeten gesteld worden. Bepaalde verwachtingen zijn specifiek en sterk, en richten zich naar de landbouw. Zij kunnen als volgt worden gekenmerkt :
De eerste verwachting, de voedselzekerheid, is de hoogste. Zij is en blijft van levensbelang. Maar de moderne technieken hebben de volumes sterk doen toenemen en de prijzen in reële termen verminderd. De burger heeft ook meer dan vroeger, als consument, behoefte aan transparantie, authenticiteit en kwaliteit. Gezonde en veilige landbouw- en voedselproducten primeren op andere elementen zoals prijs en organoleptische kwaliteit. De landbouw moet dan ook, als belangrijkste schakel in de voedselketen, samen met de andere schakels uit de verschillende bedrijfskolommen, een inspanning doen om het vertrouwen van de consumenten te winnen en moet zich blijvend inzetten voor de verbetering van de voedselveiligheid over de hele voedselketen. Daarbij moet worden gesteund op strenge beroepsprincipes, verhoogde vakbekwaamheid, afdoende begeleiding, naleving van normen, invoering van middelen om producten traceerbaar te maken en bedrijven en productieprocessen te erkennen, evenals op aangepaste controlemethoden. De tweede verwachting, de leefomgeving, is niet minder specifiek en is heel actueel. Alle sectoren zijn betrokken bij het leefmilieu. Van de landbouw wordt meer verwacht dan dat zij in haar productie zo weinig mogelijk vervuilt of negatieve effecten heeft. Men verwacht van de landbouw dat zij echt creatief omgaat met positieve elementen en dit op een zo breed mogelijke wijze, met name op vlak van het platteland (uitzicht van het landschap, onderhoud van en respect voor de natuur, inclusief de naleving van het dierenwelzijn, bezetting van het grondgebied, organisatie binnen autonome familiale eenheden die verspreid zijn over de ruimte en eventueel pluriactief zijn, ...). Deze positieve elementen waren ooit inherent aan de landbouwproductie, toen deze nog gebeurde met veel mankracht en weinig andere middelen, op een oppervlakte die altijd te beperkt was en waar alle zorg aan besteed werd. Dit is nu niet meer het geval. De moderne technologie heeft bijkomende mogelijkheden gecreëerd, waarvan steeds meer gebruik werd gemaakt, ook omdat het prijzensysteem dit aanmoedigde. In de toekomst zal een belangrijke inspanning nodig zijn om de dubbele functie van de landbouw, productie en milieubeheer, in evenwicht te brengen en te verzoenen. De gebruikte productiemethodes zijn daarbij van groot belang. Er wordt opnieuw van de landbouw verwacht dat zij multifunctioneel is. Het "Europees landbouwmodel" dat steeds meer verdedigd wordt, vertaalt deze dubbele verwachting binnen een culturele en sociale Europese context. Zonder de ambitie te hebben volledig bepalend te zijn voor het voedselbeleid of het plattelandsbeleid, blijkt toch duidelijk dat het landbouwbeleid er deel van uitmaakt. Vraag naar rechtvaardigheid Om aan deze verwachtingen te kunnen beantwoorden, vraagt de landbouw aan de samenleving om een billijke behandeling op twee vlakken :
Daarbij voegt zich geleidelijk ook de bezorgdheid om billijke afspraken over de wereldhandel in landbouwproducten. Deze dubbele zorg voor rechtvaardigheid, verdedigd binnen de Europese landbouw, zal de verzoening tussen de verwachtingen van de maatschappij en de zorgen van de landbouwers bevorderen. De veranderende verwachtingen en verzuchtingen vanwege de samenleving nopen dus onvermijdelijk tot een bezinning over de waarden, de rechten en de plichten van onze landbouw. Die heeft in de loop der tijden steeds blijk gegeven van een groot aanpassingsvermogen. Thans is er een nieuwe uitdaging : het imago van een in de eerste plaats economische sector uitbouwen met aandacht voor de rol als voedselverschaffer, maar ook dat van een sociaal nuttige sector die zijn vakkundigheid in steeds grotere mate ten dienste stelt van doelstellingen die in verband staan met milieu en kwaliteit. HOOFDSTUK 2 |
|
CONTEXT EN EVOLUTIE VAN DE LANDBOUW INLEIDING De denkpistes die op het einde van de 50er jaren de grondslag vormden voor het Gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn terug te vinden in de politieke verbintenis die de Belgische wetgever heeft aangegaan met de wet van 29 maart 1963, de zogenaamde pariteitswet. Het in artikel 1 omschreven doel van die wet is nog steeds actueel vanwege het belang dat daarin wordt toegekend aan de sociaal-economische toestand van de landbouw : "Teneinde verbetering in de economische en sociale toestand van de landbouw na te streven en zijn rendabiliteit te bevorderen door hem een met de andere sectoren van 's lands bedrijfsleven gelijkwaardige rang toe te kennen, dient de Minister van Landbouw ieder jaar vóór 1 november bij de Wetgevende Kamers een verslag in over de evolutie van de land- en tuinbouweconomie." Achter de evolutie van de zogenaamde pariteit die in onderstaande grafiek is weergegeven, gaan zeer grote verschillen tussen de sectoren schuil. Dit is zeer kenmerkend voor de landbouwsector. Evolutie van het arbeidsinkomen in de landbouw per arbeidseenheid (A.E.), van het vergelijkbare inkomen en van de "pariteit". ink.lb/AE : vergelijkbaar inkomen 2.1 Evolutie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2.1.1 Doelstellingen van het GLB Na de Tweede Wereldoorlog kende de landbouw ernstige structurele problemen en lagen de prestaties in het algemeen vrij laag. Europa was in ruime mate van andere landen afhankelijk voor zijn bevoorrading met de meeste basisvoedselproducten. Het Verdrag van Rome heeft in haar artikel 93 toen 5 grote doelstellingen toegezegd aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid die sindsdien bevestigd zijn:
De werking van het GLB is vastgelegd in drie principes die werden aangenomen op de Conferentie van Stresa in 1958 en die deze doelstellingen omzetten in beleidsopties: - Eenheid van de markt : vrij verkeer van landbouwproducten, gemeenschappelijke regeling voor prijzen en concurrentie en gemeenschappelijk beleid voor buitenlands handelsverkeer; - Communautaire preferentie : prioriteit voor de productie uit de Gemeenschap; - Financiële solidariteit : de uitgaven i.v.m. de uitvoering van het GLB worden door iedereen op gemeenschappelijke basis en los van nationale belangen gedragen. De concrete invulling van deze principes gebeurt via vier belangrijke instrumenten : het markt- en prijsbeleid, met name door de gemeenschappelijke marktordeningen (GMO), het sociaal-structureel beleid tot aanvulling van het markt- en prijsbeleid (doelstelling : verbetering van het inkomen van de producenten en in aanmerkingneming van de grote verschillen in bedrijfsgrootte, moderniseringsgraad, vakbekwaamheid en op het vlak van bodem en klimaat), het handelsbeleid met betrekking tot de handel met derde landen en de harmonisering van de nationale wetgevingen voor vraagstukken die niet onder de GMO vallen. 2.1.2 Problemen, uitdagingen en hervorming Wat de verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB betreft, zijn er onmiskenbaar successen, zoals het bereiken en verbeteren van de voedselzekerheid ingevolge een forse stijging van de productie en vooral van de productiviteit in de landbouw. De consument krijgt thans een ruime en nog steeds toenemende keuze aangeboden van voedselproducten van goede kwaliteit en tegen vaste en redelijke prijzen, die zeer weinig onderhevig zijn aan de schommelingen die samenhangen met de evolutie van de wereldmarkt. Dank zij het gemeenschappelijke landbouwbeleid krijgt de consument een grotere keuze aan voedselproducten. Daarenboven is het aandeel van het gezinsbudget dat in de Europese Unie aan voeding wordt besteed in 20 jaar tijd, ondanks de prijsverhogingen, gedaald van 28 % tot 20 %. Dat komt neer op 80 BEF per EU-inwoner per week. In het begin van de 70er jaren kreeg men al gauw te maken met marktoverschotten waardoor moest worden overgeschakeld van een beleid afgestemd op schaarste naar een beleid afgestemd op overproductie. De zelfvoorziening is vanaf 1975 sterk gestegen voor zuivelproducten, graan en rundvlees. De overschotten die in bepaalde productiesectoren structureel werden, worden de belangrijkste oorzaak van de forse stijging van de uitgaven van het EOGFL-Garantie en geven aanleiding tot moeilijkheden die een gevolg zijn van de toenemende concurrentie met derde landen. 2.1.3 Zoeken naar oplossingen De Gemeenschap is in deze situatie niet werkloos blijven toezien. Vanaf 1975 werden, vaak ter aanvulling van een restrictiever prijsbeleid, een groot aantal maatregelen genomen in een poging om het overschottenprobleem op te lossen. Die maatregelen hadden in de eerste plaats tot doel de productie onder controle te brengen, de uitgaven voor marktondersteuning te beheersen en de producenten financieel te responsabiliseren voor de afzet van overschotten. 2.1.4 De hervorming van 1992 De maatregelen die tot 1991 werden aangenomen, bleken ontoereikend om een duurzaam herstel van het marktevenwicht te bewerkstelligen. Vaak reageerden de producenten integendeel met een productieverhoging op de neerwaartse beweging van de prijzen. De publieke interventievoorraden bleven zwaar doorwegen op de landbouwbegroting. Bovendien waren de spanningen op het vlak van de handel met derde landen niet afgenomen en was het landbouwluik één van de moeilijkste dossiers bij de onderhandelingen bij de Uruguay Round. In februari 1991 stelde de Commissie een drastische hervorming van het GLB voor (het plan MacSharry). De op 21 mei 1992 door de Raad van de Ministers van Landbouw van de EU aangenomen hervorming heeft vooral betrekking op de sectoren akkerbouw (graan, oliehoudende zaden en eiwitrijke planten) en rundvlees. De algemene principes van de hervorming zijn : 1) een over 3 jaar gespreide drastische verlaging van de garantieprijzen : akkerbouw (- 29 %), rundvlees (-15%) en melk (- 5%). 2) productiebeheersing : - braaklegging van een deel van de landbouwgronden; - beperking van de in interventie gebrachte hoeveelheden rundvlees; - beperking van de toekenning van premies aan runderen in functie van de veedichtheid per hectare 3) aanmoediging van milieuvriendelijke productiemethoden; 4) opzetten van begeleidende maatregelen bij de hervorming (bebossing, vervroegde uittreding, milieuprogramma). Als compensatie voor een reductie van de beroepsactiviteit of van een daling van de bedrijfswinst, worden vergoedingen toegekend onder de vorm van steun per hectare of per vee-eenheid (mannelijke runderen/zoogkoeien). Dit nieuwe landbouwbeleid leidt met name tot een zekere loskoppeling van het landbouwersinkomen van de prijzen van de producten en tot de erkenning van de tweeledige rol van de landbouw, nl. als voedselproducent en als landschaps-en milieubeheerder. Het draagt ook bij tot een grotere doorzichtigheid bij de toekenning van overheidssteun, en tegelijkertijd wordt getracht die in de eerste plaats toe te kennen aan de producenten die deze het hardst nodig hebben. De hervorming van het GLB werd geleidelijk aan ingevoerd en was volledig van kracht met ingang van het verkoopseizoen 1995-96. Het landbouwluik van de Uruguay-overeenkomst van 15 december 1993 is sinds 1 juli 1995 van toepassing. 2.1.5 Termijnen 2.1.5.1 Op korte termijn : de Agenda 2000 (Santerpakket) die door de Commissie werd voorgesteld, omvat onder meer : a) beleidslijnen aangaande de toekomstige marktordening in de sectoren rundvlees, zuivelproducten en akkerbouw die functie zijn van de budgettaire beperkingen en naleving van de internationale verplichtingen van de EU. De voorstellen voorzien in nieuwe verlagingen van de garantieprijzen, de toekenning van niet-productiegebonden compenserende steun en een vrijwel volledige afschaffing van de instrumenten voor marktondersteuning; b) de financiële vooruitzichten voor 2000-2006 van de EU die worden opgemaakt rekening houdend met zowel de inspanningen van de Lidstaten om hun begroting te saneren met het oog op de naleving van de eisen van de Economische en Monetaire Unie, als met het aanzienlijke aandeel van de landbouwbegroting in de Europese begroting, al moet dat worden genuanceerd met de bedenking dat de landbouw vrijwel de enige sector is met een echt gemeenschappelijk beleid; c) de herziening van de Structuurfondsen voor het tijdvak 2000-2005 door tenuitvoerlegging van nieuwe structuurinstrumenten, met inbegrip van het beleid voor plattelandsontwikkeling. Daarbij bestaat het gevaar dat de financiering van structuurmaatregelen van het EOGFL-Oriëntatie naar het EOGFL-Garantie wordt overgebracht, wat gepaard gaat met een dreigend verlies van aanzienlijke financiële middelen die samenhangen met de toepassing van de huidige doelstellingen van het structuurbeleid. Op korte termijn is ook de uitwerking voorzien van de begroting 1999 en de verdere tenuitvoerlegging van de verbintenissen uit de Uruguay Round, meer in het bijzonder de uitvoerbeperkingen (verlaging in hoeveelheid en begrotingskredieten van de gesubsidieerde uitvoer) en de toepassing van de "Nitraten"-richtlijn die strenge beperkingen oplegt aan het gebruik van afvalwater uit de veeteelt voorzien. 2.1.5.2 Op middellange termijn : medio 1999 : begin van de nieuwe onderhandelingscyclus in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) a) men verwacht dat deze zal uitmonden op een verhoogde liberalisering van het handelsverkeer en, wat de landbouw betreft, op een nieuwe verlaging van de drie pijlers van de huidige overeenkomst : steun bij uitvoer, interne steun en invoerregeling (verminderde bescherming bij invoer); b) wat de steunmaatregelen betreft : het zal hier vooral gaan om de versterking van de "loskoppeling" en het gevaar voor het in vraag stellen van rechtstreekse steunmaatregelen. Deze steunmaatregelen houden verband met het programma voor productiebeperking via vaste oppervlakten en op rendementen gebaseerde steun ("blue box"-steunmaatregelen). De huidige compenserende steun voor de GLB-hervorming (steun/ha akkerbouwgewassen, steun voor set aside, premies voor zoogkoeien en mannelijke runderen) horen hierin thuis. Een aantal bepalingen i.v.m. de toekenning van deze steun zullen zeer waarschijnlijk worden betwist. De komende onderhandelingen zouden ertoe kunnen leiden dat het bedrag van de steun in ruimere mate wordt losgekoppeld van het productiepeil, of zelfs tot een totaal gebrek aan samenhang tussen steun en productie-activiteit; c) rekening houdend met de oprichting van een "Comité voor handel en milieu" binnen de Wereldhandelsorganisatie, mag een verhoogde aandacht voor milieuproblemen niet worden uitgesloten. 2.1.5.3 Op lange termijn : na 2000 : Uitbreiding van de EU tot de MOE-landen (MOE = Midden- en Oost-Europa) Hierbij vraagt men zich af hoe het GLB evolueert als gevolg van de uitbreiding, rekening houdend met de kenmerken van de landbouw in de MOE-landen : al dan niet voortzetten van het markt- en prijsbeleid, voortbestaan van de rechtstreekse steunmaatregelen, keuze van instrumenten voor marktregeling en productiebeheersing, bekostigen van de nieuwe toetredingen. Ten aanzien van die trends moet in het bijzonder worden gewezen op de moeilijkheden die de Belgische landbouw zal ondervinden om zich volledig te kunnen terugvinden en inpassen in één van de twee modellen die zullen ontstaan bij eventuele afbouw van de middelen voor marktbeheer en marktondersteuning : a) het plattelandsmodel dat de multifunctionaliteit van de landbouw met betrekking tot doeleinden i.v.m. milieu of landschapsonderhoud bevoorrecht; b) het model van een landbouw met twee snelheden met een competitieve productie die zeer weinig wordt ondersteund in de betere gebieden en met compensaties die volledig los staan van de productie in de zwaarste probleemgebieden. 2.2 Evolutie van het voedselveiligheidsbeleid 2.2.1 De structuur van de voedselproductieketen De voedselproductieketen is een complex geheel van verschillende schakels, en binnen die schakels van verschillende deelgebieden. De voorbije decennia heeft de voedselproductieketen een belangrijke evolutie doorgemaakt. Deze evolutie werd gekenmerkt door : - de internationalisering binnen de EU en de mondialisering van de handelsstromen; - de intensivering en specialisatie binnen de verschillende deelgebieden; - de implementatie van de normen op het vlak van de voedselveiligheid; - de toenemende bezorgdheid m.b.t. het consumentenvertrouwen. De huidige samenstelling van de voedselproductieketen wordt gekenmerkt door belangrijke structurele verschillen tussen de verschillende schakels. Alhoewel de landbouwproductie geïntensiveerd en gespecialiseerd is, blijft deze schakel vooral gekenmerkt door de kleinschaligheid van de bedrijven. De gemiddelde personeelsbezetting op een landbouwbedrijf in België is minder dan 2 fulltime eenheden (FTE). Dit staat in schril contrast met andere schakels van de productieketen waar een grote concentratiebeweging plaatsvindt (distributie, sommige sectoren van de transformatie), die wordt gekenmerkt door een toenemende internationale dimensie. Sommige deelgebieden worden dan weer gekenmerkt door KMO-structuren (veevoederindustrie, vleesverwerkende nijverheid). Structurele verschillen bestaan tevens op het vlak van de organisatie op bedrijfsniveau. De productieprocessen op het niveau van de transformatie spelen zich af in een goed controleerbaar en strikt genormeerd productieproces. Deze normering is gebaseerd op internationaal aanvaarde standaarden (ISO-normen, systeem Hazard Analysis of Critical Control Points (HACCP)), aangevuld door lastenboeken die specifieke behoeften van de klant omvatten. De productieprocessen op het niveau van de primaire productie, d.w.z. op het niveau van de landbouwbedrijven, zijn moeilijker te vatten in dergelijke normen en dit om verschillende redenen. Naast de reeds hoger vermelde kleinschaligheid, is er het feit dat de landbouwproducent omgaat met "levende materie" en dat het productieproces zich in belangrijke mate afspeelt in de buitenwereld (de natuur). Dit heeft voor gevolg dat de voorspelbaarheid van het productieproces, en dus de mogelijkheid tot standaardisering, veel kleiner is dan in de andere schakels. Een paradox daarbij is dat intensieve landbouwproductietechnieken, die door de consument moeilijk worden aanvaard, zich het best lenen tot standaardisering. Binnen de landbouwproductie zelf zijn er eveneens grote verschillen tussen de verschillende deelgebieden. Zo staat in de dierlijke productie de goede reputatie van de melkproductie in schril contrast tot de schandaalsfeer rond de vleesproductie. In de dierlijke productie ligt het accent vooral op zoönosen (BSE, TBC, salmonella,...), residuen van verboden of toegelaten stoffen (hormonen, antibiotica), maar ook op de productietechnieken en dierenwelzijn. In de plantaardige productie staan vooral residuen van pesticiden en de problematiek van genetisch gewijzigde organismen voorop. 2.2.2 De WHO en het SPS-akkoord In het kader van de WHO (Wereldhandelsorganisatie) die werd opgericht als resultaat van de GATT-onderhandelingen, werden een aantal handelsakkoorden afgesloten. Eén van deze akkoorden is het "Akkoord over de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen", het zogenaamde SPS-akkoord. Dit akkoord omvat de acties van regeringen op het vlak van voedselveiligheid en van dieren- en plantengezondheid. Het is gebaseerd op de bepalingen van de Codex Alimentarius, die werd opgesteld in het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de FAO (Food and Agricultural Organisation). De belangrijkste doelstelling van het SPS-akkoord is te vermijden "dat het soevereine recht van Regeringen om een passend niveau van gezondheidsbescherming te creëren, misbruikt wordt voor protectionistische doeleinden en niet resulteert in onnodige belemmeringen van de internationale handel". SPS-maatregelen moeten worden verantwoord op basis van een risico-analyse (risk assessment). Daarbij moeten bij voorkeur internationaal aanvaarde standaarden worden gebruikt. Wanneer dat niet het geval is en de maatregelen resulteren in handelsbeperkingen kan worden gevraagd een wetenschappelijke verantwoording te geven. Het SPS-akkoord stelt de EU- (en dus de Belgische) landbouwproductie voor ernstige problemen. Het instellen van normen die verdergaan dan de internationale standaarden (verbod op het gebruik van bepaalde productiemiddelen, dierenwelzijnsnormen) betekent voor de EU-landbouwproducent een concurrentiëel nadeel t.o.v. niet-EU-producenten. Indien deze normen in het kader van het SPS-akkoord niet kunnen opgelegd worden aan ingevoerde producten (equivalentie) dan zal dit belangrijke gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van de EU-landbouw, voor het EU-beleid op vlak van voedselveiligheid en voor de consument. 2.2.3 Het groenboek van de EU-Commissie inzake voedingsmiddelenwetgeving De krachtlijnen voor het toekomstig beleid op het vlak van de voedselveiligheid binnen de EU werden recent in twee documenten uiteengezet : - de mededeling van de Commissie over de gezondheid van de consument en de voedselveiligheid; - het groenboek over de algemene principes inzake voedingsmiddelenwetgeving in de EU. In de mededeling van de Commissie "Gezondheid van de consument en voedselveiligheid" wordt uiteengezet hoe de Commissie de normen op het vlak van de bescherming van de gezondheid van de consument vastlegt met inbegrip van de criteria die daarbij worden gehanteerd en de middelen die worden gebruikt om de toepassing ervan te controleren. De basiselementen in het beleid van de Commissie zijn : - de uitgangspunten voor de bescherming van de gezondheid van de consument, met name : voedselveiligheid, gezondheid van dieren en planten, dierenwelzijn, herstel van het vertrouwen van de consument; - wetenschappelijke adviezen gebaseerd op kwaliteit, onafhankelijkheid en doorzichtigheid. Daartoe worden de Wetenschappelijke Comité’s georganiseerd en ondergebracht bij DG XXIV (Directoraat-Generaal Consumentenbeleid en bescherming van de gezondheid van de consument); - een systematische risicoanalyse bestaande uit risico-evaluatie, risicobeheer en de mededeling van de risico’s. Daarbij wordt ernaar gestreefd om internationaal goedgekeurde standaarden te hanteren (zie hoger SPS); - bij DG XXIV wordt een "voedsel- en veterinair bureau" opgericht met het oog op de controle op de naleving van de levensmiddelenhygiënewetgeving en van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving binnen de EU en elders. Daarbij zal gestreefd worden naar officiële auditprocedures voor het evalueren van de resultaten van de bevoegde autoriteiten. Met het groenboek aangaande de algemene principes over voedingswetgeving in de EU, heeft de Commissie een breed debat opgestart betreffende de voedingswetgeving, uitgaande van zes basisdoelstellingen : - een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid garanderen; - het vrij verkeer van goederen binnen de eenheidsmarkt garanderen; - de wetgeving voornamelijk baseren op wetenschappelijke principes en op risicoanalyses; - de hoofdverantwoordelijkheid toebedelen aan de operatoren (op basis van erkende standaarden), dit versterkt door een officiële controle; - een coherente, rationele en gebruiksvriendelijke wetgeving creëren; - de competitiviteit van de communautaire productie en de plaats ervan op de wereldmarkt versterken. Om deze doelstellingen te bereiken is een benadering "from stable to table" noodzakelijk en wordt onderzocht : - in welke mate de primaire landbouwproductie en de voedselindustrie kunnen gevat worden in een geheel van algemene regels; - in hoeverre voor de primaire landbouwproductie het principe van productaansprakelijkheid (richtlijn 85/374/EEG) kan worden toegepast. De conclusies van de discussie rond het groenboek zullen bepalend zijn voor de toekomstige wetgeving en controle op de agro-alimentaire sector. De basisdoelstellingen en de benadering "from stable to table" kunnen zondermeer worden onderschreven. In België werd een gelijkaardige discussie opgestart in 1995 onder de vorm van het "globaal overleg aangaande de residuproblematiek in de vleesproductie". Alhoewel de doelstelling van dit overleg bescheidener was, leidde dit tot een consensus over een geïntegreerde aanpak en werden voor elk van de schakels van de productieketen voorwaarden geformuleerd. Ook het omvatten van de ganse agro-alimentaire sector in een globale kaderwetgeving aangaande voedselveiligheid kan onderschreven worden, op voorwaarde dat rekening gehouden wordt met de specificiteit van de verschillende schakels van de productieketen en met name van de producenten van de primaire producten. |
|
HOOFDSTUK 3 PLAATS EN BELANG VAN DE BELGISCHE LANDBOUW "Wat zou er gebeuren als de landbouwsector op een dag mocht verdwijnen ?" Sommigen vinden dat vooruitzicht weinig realistisch. Extreem gesteld is dit in het licht van de evolutie van de representativiteit van de landbouw echter niet uitgesloten. Het gaat derhalve om een cruciale vraag die moet worden beantwoord als men de landbouw wil rechtvaardigen en zijn belang wil aantonen. Het aandeel van de landbouw en de tuinbouw in het Bruto Nationaal Product (BNP) neemt met de jaren steeds verder af. Die evolutie is relatief als men ziet in welke mate de landbouwsector thans is opgenomen in een complexe economie die wordt gekenmerkt door een aanzienlijke stroom van goederen en diensten tussen steeds meer gespecialiseerde en gediversifieerde beroepssectoren. Het economisch en sociale belang van de land- en tuinbouw moet over de hele landbouw-voedingsbedrijfskolom bekeken worden en enerzijds worden verruimd naar de toeleveringssectoren (de hele industrie die aan de landbouw levert) en anderzijds naar de afnamesectoren, in het bijzonder de agro-voedingssector. - LANDBOUW EN TUINBOUW (1) 119.207 waarvan : Voltijds tewerkgestelde personen 73.173 Deeltijds tewerkgestelde personen 46.034 - TOELEVERINGSSECTOREN van de land- en tuinbouw (2) 20.496 waarvan : Toeleverende industrieën aan de landbouw : 12.758 (fabricage en handel : dierenvoer, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, trekkers en landbouw- machines) Diensten : 7.738 (landbouworganisaties, loonbedrijven, veterinaire activiteiten, verhuur van landbouwmaterieel, ...) - AFNAMESECTOREN van de land- en tuinbouw (2) 196.401 waarvan Agro-voedingsindustrieën : 86.090 (vleesverwerkende industrie, zuivelindustrie, bakkerijen-banketbakkerijen, dranken, chocolade, snoepgoed) Groot- en kleinhandel : 110.311 (voeding, bloemist, ...) Gegevens 1996 (1) NIS : 15 mei-telling (2) Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid : raming per 30 juni : de tewerkstelling omvat alle personen ouder dan 15 jaar die tenminste 1 uur per week werken in een binnenlandse productievennootschap. De gevolgen van het verdwijnen van onze landbouw zouden zeer verscheiden zijn en kunnen trouwens niet allemaal worden ingeschat, vooral als ook de landbouw in onze partnerlanden van de EU zou verdwijnen. Sociale gevolgen : Op sociaal vlak zou het verdwijnen van de landbouw zeker een verlies betekenen vanwege de negatieve weerslag op de tewerkstelling en de spreiding ervan over het land. In de eerste plaats zou de werkgelegenheid volledig wegvallen in de eigenlijke land- en tuinbouw, en onvermijdelijk ook in de hele toeleveringssector die zonder klanten zou komen te zitten. In de afnamesectoren zouden niet alle banen verdwijnen. Bevoorrading met grondstoffen vanuit het buitenland zou nog mogelijk zijn. Toch zou een aanzienlijk banenverlies in de landbouwvoedingssector en de groothandel onvermijdelijk zijn. In totaal zouden in de hele bedrijfskolom meer dan 200 000 banen sneuvelen. Daarenboven moet ook worden gevreesd dat de gevolgen voor de tewerkstelling ook een weerslag zouden hebben op de plattelandsbevolking en de plattelandsvlucht in bepaalde streken nog zou doen toenemen. Gevolgen voor de strategie en gezondheid Het verdwijnen van de voedselverstrekkende functie van de Landbouw zou ook problemen opleveren zoals : - de zekerheid van onze voedselbevoorrading (in 1996 : 201 % voor suiker ; 168 % voor rundvlees ; 136 % voor melk ; 44 % voor granen) die - wat men maar al te vaak vergeet - nauwelijks 50 jaar geleden niet zonder problemen was voor onze bevolking; - de kwaliteit van de producten waarvan de waarde en de geloofwaardigheid misschien niet langer gegarandeerd zouden zijn als ze in de eerste plaats zouden afhangen van controles in de landen van herkomst van de ingevoerde producten; - de stabiliteit van de consumptieprijzen die bedreigd kan worden bij uitsluitende bevoorrading vanuit het buitenland. Economische gevolgen Voor België zou dit ook het verlies betekenen van een sector die ondanks een verkleining van zijn relatief belang, toch economisch belangrijk blijft met een productiewaarde van 255 miljard frank en een bruto toegevoegde waarde van 100 miljard. Bovendien draagt hij bij tot de economische groei via aankopen in de toeleveringssectoren (ongeveer 180 miljard BEF) en door de levering van grondstoffen aan de voedingsindustrieën, waarvan de producten vervolgens terechtkomen bij groot- en kleinhandelaars. Thans heeft de landbouw een aandeel van ongeveer 1,5 % in het BNP. Als rekening wordt gehouden met de agro-voedingssector stijgt dit globale relatieve belang tot 4,5 % van het BNP. Het economisch belang van de sector komt ook tot uiting in de buitenlandse handel. Het relatief aandeel van de landbouwproducten bedroeg in 1995 6,1 % van de uitvoer en 7,1 % van de invoer. Voor alle agro-voedingsproducten samen bedraagt het relatief aandeel 10,4% voor de uitvoer (534 miljard BEF) en 11,3 % voor de invoer (533 miljard BEF). Een volledige stopzetting van de landbouwactiviteit zou dus in de plattelandsgebieden leiden tot een aanzienlijk lagere ontwikkeling van de met de landbouwbedrijvigheid samengaande diensteneconomie, die een significante bijdrage levert tot de resultaten van de andere sectoren (onderwijs, ambachten, ...). Gevolgen voor het milieu Hoewel een volledig cijfermatige "milieubalans" van de landbouw niet voorhanden is, wordt de bijdrage van de landbouw aan een beter milieu steeds meer erkend. In de eerste plaats moet worden gewezen op de geheel positieve evolutie van de landbouwinvesteringen voor milieudoeleinden. Verder mag niet zomaar worden voorbijgegaan aan de positieve milieu-aspecten van de landbouwbedrijvigheid zowel met betrekking tot de vitale ecologische cycli (fotosynthese, recyclage, tegengaan van erosie, ...) als met betrekking tot de biodiversiteit of de ruimtelijke ordening (onderhoud van het platteland, landschappen, plattelandstoerisme). Indien de landbouwactiviteit in België verdween, zouden ongeveer 1,3 miljard ha vrijkomen, wat meer is dan één derde van het Belgisch grondgebied. Alle maatregelen die genomen worden in het kader van een duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen (voornamelijk grond en water), dragen bij tot het voortbestaan zelf van de landbouw. Deze natuurlijke rijkdommen, die de productiefactoren vormen van de landbouw, moeten beschermd worden indien de landbouwers de toekomst van de volgende generaties producenten willen veilig stellen. HOOFDSTUK 4 VOORUITZICHTEN VOOR DE BELGISCHE LANDBOUW De onbetwistbare vooruitgang die onze landbouwers dank zij het GLB is ten deel gevallen, roepen ook vragen en uitdagingen op ten aanzien van de Belgische landbouw van morgen. 4.1 Hoge productiekosten Het in België vrij hoge aandeel van de loonkost in de productiekosten zet eerst de grote, en daarna ook de andere landbouwbedrijven ertoe aan gebruik te maken van de technische vooruitgang om de arbeidsproductiviteit te verbeteren. De hoge investeringen die daaruit voortvloeien en die vaak eigen zijn aan een welbepaald productietype, doen de kapitaalbehoefte stijgen en nopen vaak tot het aangaan van leningen. Bovendien zet dit de bedrijven ertoe aan het aantal productierichtingen te verminderen en zich dus te specialiseren, waardoor een frekwente heroriëntering van de productie moeilijker wordt. Die kapitaalbehoefte wordt enerzijds nog opgedreven door de hoge grondprijzen als gevolg van de schaarste van landbouwgronden in de gebieden rond steden waar de Belgische landbouw voorkomt en anderzijds door de kosten die samenhangen met het verwerven van uit het GLB voortvloeiende productierechten. Ondanks de stijgende schuldenlast en de dalende solvabiliteit van de bedrijven, moet worden aangestipt dat de financiële toestand van de sector als geheel gezond blijft (goede verhouding tussen eigen en geïnvesteerde middelen). 4.2 Problemen inzake opvolging en levensvatbaarheid van bedrijven Deze toestand maakt de opvolging uiteraard bijzonder moeilijk en de verjonging in de landbouwbedrijven zeer zorgwekkend. Bovendien vereist deze toestand ook dat de bestaande bedrijven, en in het bijzonder die met jonge bedrijfsleiders, kunnen rekenen op doelgerichte steunmaatregelen en op een inkomenszekerheid. Hoe paradoxaal dat ook mag klinken, gelet op de groeiende voorspoed die de landbouw brengt, dreigt deze achteruit te gaan. In weerwil van een in Vlaanderen verder dan in Wallonië doorgedreven diversifiëring, is de productie van de Belgische landbouw als geheel ook sterk afhankelijk van de logge Europese marktordeningen (melk, rundvlees, suiker, graan). De evolutie van het GLB is doorslaggevend voor de Belgische landbouw, omdat het gericht is op een stabilisering van prijzen en markten. 4.3 Verwachtingen van de consument en zoektocht naar afzetgebieden Wat de productie betreft, blijkt dat na de chronische overschotten waarvan de kosten steeds fellere kritiek uitlokten, een steeds grotere kloof is ontstaan tussen enerzijds de productie als dusdanig (boter) en de kwaliteit ervan (rood vlees, groenten en fruit) en anderzijds de voorkeur van de consument. Deze kloof wordt nog vergroot door de veranderde levensstijl, het dalende geboortecijfer, de vergrijzing van de bevolking, de lagere behoefte aan calorieën, de zoektocht naar nieuwe of andere producten ("light", biologisch, hoeveproducten, enz...). Ogenschijnlijk heeft de Belgische landbouw, die misschien minder alert en minder vooruitziend was dan die in sommige buurlanden, met behulp van de middelen voor marktbeheer en -bescherming die door het Europese landbouwbeleid werden aangereikt, zich soms beperkt tot "produceren" zonder daarbij oog te hebben voor de afzet en lijkt hij onvoldoende ingepast in de bedrijfskolom als geheel. Deze vaststelling is onrustwekkend, zowel omwille van het belang van de verwerkte en afgewerkte voedingsproducten in vergelijking met de uit de landbouw afkomstige basisproducten als vanwege de veranderde machtsverhoudingen tussen producent en de (in Vlaanderen weliswaar beter uitgebouwde maar toch uit kleine bedrijven bestaande) agro-voedingskolom. Op de concurrerende markten in de Europese Unie, waar de Belgische export in de eerste plaats naartoe gaat en die gekenmerkt worden door een vraag naar steeds verfijnder producten, hangt het economisch gewicht van de landbouwers inzonderheid af van de mate waarin zij zich kunnen organiseren om aan de vraag van de consument te kunnen voldoen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de verschillende instrumenten en begeleidende maatregelen waardoor onze producten hun positie op de Europese markten kunnen verstevigen. De aanhoudende stijging van het aanbod, de stabilisering of teruggang van de vraag, en de opslagkosten dwingen echter ook Europa ertoe de uitvoer naar derde landen uit te bouwen, ook al leidt dit tot een handelsoorlog die de prijzen kunstmatig laag houdt, de wereldmarkten steeds speculatiever maakt en tot een constante spanning tussen de grootste uitvoerders van de wereld. De Europese Unie is de tweede grootste uitvoerder van landbouwproducten ter wereld. Hoewel zij haar interne markt wil veilig stellen, kan zij de internationale voorschriften, in het bijzonder die van de Wereldhandelsorganisatie, niet zomaar naast zich neerleggen. De noodzakelijke uitbreiding van Europa op de wereldmarkten kan met andere woorden niet met restituties worden gerealiseerd. Dit brengt ons terug tot een debat over het peil van prijzen en steun en over de wijze waarop de landbouwers deelnemen aan de uitvoer. De Belgische landbouw lijkt niet meteen gewapend en klaar om zonder meer over te stappen op dit vrijhandelsbeleid. 4.4 Het landbouwmodel voor morgen Diversiteit en kwaliteit zouden daarentegen een nieuwe vorm van beleid kunnen bepalen. De concurrentiekracht van de landbouw wordt immers bepaald door verschillende factoren die niet tegengesteld zijn, maar elkaar aanvullen in eenzelfde gebied, eenzelfde bedrijf... Naast de competitiviteit volgens kwantiteit/standaardkwaliteit/kostprijs, waarbij de landbouwers hun performantie op de in ruime mate gemundialiseerde massamarkten kunnen uitdrukken, bestaat tegelijk een competitiviteit volgens de kwaliteit van de producten, volgens de nieuwe garanties die aan de consument worden geboden en volgens de non profitdienstverlening van de landbouwproductie aan de gemeenschap. Er moet worden gekozen voor een krachtige landbouw met verantwoordelijkheidszin binnen een steeds verder gemundialiseerde economie en in een context waarin het landbouwbeleid geleidelijk aan wordt afgebouwd. In dat verband lijkt de grondgebonden dimensie onlosmakelijk verbonden met eender welk landbouwbeleid, ook al is dit niet meteen een beleid voor ruimtelijke ordening. Het Europese landbouwmodel is in die zin origineel dat het prestaties op de wereldmarkten heeft kunnen verzoenen met het bestaan van een groot aantal vrij kleine bedrijven die over het grondgebied verspreid zijn. De keuze voor gezinslandbouwbedrijven met eigen verantwoordelijkheid en op mensenmaat, beantwoordt aan de uitdaging op het vlak van verjonging en aan het gevaar voor overdreven concentratie dat kan leiden tot overname door vreemd kapitaal of opslorping door toeleverings- of afnamebedrijven. Het gezinsbedrijf lijkt zich vlot te kunnen aanpassen aan de verwachtingen van de consument, het zorgt voor gebruiksvriendelijkheid die de levenskwaliteit op het platteland ten goede komt en is creatief in een streven naar herstel van de vitale evenwichten. In een steeds onstabieler economisch milieu waar de concurrentie gedurig groter wordt, moeten de landbouwbedrijven de mogelijkheid krijgen om :
De toekomst van de landbouw ligt in de lijn van zijn allerbelangrijkste activiteit, nl. de mensen voeden, maar dan in erkende veilige omstandigheden en met erkenning van de bevoorrechte band tussen landbouw en milieu. II VOORSTELLEN 1 LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ Geconfronteerd met een steeds aandachtiger en kritischer maatschappij ten aanzien van gezondheid, bescherming van het leefmilieu en van het landschap, is de landbouw slechts één schakel, maar wel een fundamentele schakel, die in zijn verschillende functies moet gesitueerd worden. 1.1 Landbouw en tewerkstelling 1.1.1 Seizoen- en gelegenheidswerk De land- en tuinbouwsector is één van de weinige sectoren waar het inkomen van de ondernemer bepaald wordt door de wet van vraag en aanbod. De prijs van de land- en tuinbouwproducten worden gevormd op de markt. De inkomenssituatie van de land- en tuinbouwer is met andere woorden afhankelijk van een aantal externe factoren en wordt hierdoor zeer precair. Daarnaast zijn de activiteiten in deze sector hoofdzakelijk seizoensgebonden. Gedurende bepaalde periodes in het jaar bestaat bijgevolg de nood om naast de reguliere arbeid bijkomende, tijdelijke en occasionele werknemers te werk te stellen. In de tuinbouwsector werden deze piekmomenten opgevangen door het systeem van de gelegenheidsarbeid, waarbij tijdelijke arbeidskrachten tegen een voor de sector betaalbaar, forfaitair uurloon op een soepele manier kunnen worden ingeschakeld. Door het wegvallen van de traditionele reserve van arbeidskrachten (huisvrouwen, studenten, bruggegepensioneerden, ...) wordt nu ook in de landbouwsector een tekort aan tijdelijke arbeidskrachten vastgesteld. Dit tekort doet zich hoofdzakelijk voor tijdens de zaai-, plant- en oogstperiode. Om tegemoet te komen aan deze behoefte, kan het systeem van gelegenheidsarbeid, dat nu reeds bestaat voor de tuinbouwsector, ook in de landbouwsector worden ingevoerd. Voorstel :
Deze regeling zal na 2 jaar worden geëvalueerd. De Regering heeft de Ministers van Tewerkstelling en Arbeid en Sociale Zaken de opdracht gegeven de regeling inzake seizoens- en gelegenheidsarbeid, die momenteel bestaat in de tuinbouwsector, uit te breiden tot de landbouwsector. 1.1.2 Activering van de werkloosheidsuitkeringen Aanvullend aan de typische seizoengebonden activiteiten, bestaan er in de land- en tuinbouwsector een aantal taken die wegens de te hoge arbeidskost quasi niet meer worden ingevuld door de Belgische werknemers. De techniek van de activering van de werkloosheidsuitkeringen, waardoor meer jonge werklozen tijdelijk zouden kunnen ingeschakeld worden in deze sector, zou hier een oplossing kunnen bieden. Op die manier kan aan een aantal jongeren een zinvolle tewerkstelling aangeboden worden met de mogelijkheid om door te groeien naar een reguliere tewerkstelling in de land- of tuinbouwsector of in andere bedrijfstakken. De arbeidsplaatsen die op deze wijze worden ingevuld, zijn complementair aan de bestaande reguliere arbeid, vermits voor deze jobs geen gespecialiseerde kennis vereist is. Het voorstel kadert bovendien volledig in de richtsnoeren van de Europese Top inzake werkgelegenheid, waarin gesteld wordt dat aan jonge werklozen en werkzoekenden ruimere mogelijkheden inzake vorming, opleiding en tewerkstelling moeten aangeboden worden. De Regering heeft het hierboven vermelde beginsel van inpassing van de land- en tuinbouwsector in de bestaande techniek van de activering van de werkloosheidsuitkeringen onderschreven en heeft daartoe aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid de opdracht gegeven om, in overleg met de Minister van Landbouw en KMO, de concrete regels op het terrein in die zin te definiëren. 1.2 Landbouw en gezondheid 1.2.1 De betwistingen op het niveau van de WHO De landbouwproducenten erkennen de behoefte om het niveau van voedselveiligheid binnen de EU hoger te stellen dan de internationale standaard, maar stellen hierbij als voorwaarde dat dit erkend wordt op het niveau van de WHO. Indien dit niet het geval zou zijn, dan moet worden nagegaan welke invloed dit heeft op de bestaande regelgeving en op de concurrentiepositie van de landbouwproducent. 1.2.2 Het groenboek van de EU-Commissie Na de discussies gewijd aan het groenboek heeft de Europese Top van 12 en 13 december 1997 onderlijnd dat de voedselveiligheid een constante zorg moet blijven voor de EU. De landbouwproducenten delen op dit vlak de bezorgdheid van de consumenten en ondersteunen de noodzakelijke toepassing van de normen aangaande voedselveiligheid. Zij willen zich inschrijven in een geïntegreerde benadering van producent tot consument maar stellen een aantal basisvoorwaarden : - het respecteren van de hiërarchie van de normen (voedselveiligheid, productieproces); - het vatten van de normen in een coherente en transparante wetgeving, die rekening houdt met de specificiteit van het landbouwproductieproces; - blijvende aandacht voor de administratieve overlast op de bedrijven; - het realiseren van een geïntegreerde en efficiënte werking van de controlediensten in de verschillende schakels van de productiekolom, waarbij de lasten evenredig gespreid worden over de verschillende schakels; - het creëren van rechtszekerheid voor de producent, met name door de precieze afbakening van het begrip productaansprakelijkheid. 1.2.3 Productaansprakelijkheid Het uitbreiden van de toepassing van de richtlijn 85/374/EEG aangaande productaansprakelijkheid tot de landbouwproducent stelt een aantal belangrijke problemen : - het primair landbouwproduct ondergaat dikwijls een lang transformatieproces. Producten afkomstig van verschillende producenten worden gemengd, zodat het dikwijls onmogelijk is om de individuele producent te identificeren; - de producent kan enkel verantwoordelijk zijn voor de elementen in het productieproces die hij zelf beheert en die een weerslag hebben op de veiligheid van zijn producten. Hij kan niet verantwoordelijk zijn voor externe contaminaties, onafhankelijk van zijn activiteiten. De regels voor productaansprakelijkheid van de landbouwproducent moeten dan ook heel strikt worden gedefinieerd, om te vermijden dat er een situatie van rechtsonzekerheid ontstaat. Als principe kan worden vooropgesteld dat productaansprakelijkheid van de landbouwproducent enkel van toepassing is wanneer : - op een éénduidige manier wordt vastgesteld dat het gebrekkig product afkomstig is van één bepaalde producent (traceerbaarheid); - wordt vastgesteld dat de producent de regelgeving m.b.t. de voedselveiligheid en de bescherming van de consument niet heeft nageleefd. Dit laatste veronderstelt een brede reglementering aangaande voedselveiligheid op producentenniveau, met inbegrip van het creëren van een controleerbare omgeving en een efficiënt controleapparaat. De Regering heeft de twee bovenvermelde principes aangaande de productaansprakelijkheid op niveau van de landbouwproducent onderschreven. 1.2.4 De organisatie van de Belgische controlediensten De controlediensten van de agro-alimentaire sector in België zijn ondergebracht in drie verschillende departementen : - Ministerie van Volksgezondheid : Algemene Farmaceutische Inspectie Eetwareninspectie Instituut voor Veterinaire Keuring - Ministerie van Middenstand en Landbouw DG 4 (Bestuur voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector) en DG 5 (Bestuur voor de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten). - Ministerie van Economische Zaken Bestuur Economische Inspectie.
Deze diensten zijn onderling erg verschillend qua structuur en werking. In het verleden gaven deze verschillen soms aanleiding tot een gebrekkige coördinatie tussen deze diensten en dus tot een minder efficiënte controle. De ketenbenadering, waarin de verschillende schakels tot één continu geheel worden omgevormd, vereist een grondige bijsturing van de betrokken controlediensten. Het is noodzakelijk om de werking van de controlediensten in de agro-alimentaire sector te uniformiseren op basis van een permanente evaluatie. Een dergelijke evaluatie moet gerealiseerd worden via externe auditprocedures door een onafhankelijk organisme dat zich buiten de bestaande diensten bevindt. De conclusies van de evaluatie moeten worden omgezet in dwingende richtlijnen ten behoeve van de betrokken diensten, zowel op het vlak van hun werking als van hun structuur. De permanente evaluatie moet tevens nagaan welke maatregelen en acties er noodzakelijk zijn om te komen tot een meer geïntegreerde controle op de verschillende controlestructuren. Ook op dit vlak moeten de conclusies worden omgezet in dwingende richtlijnen aangaande de structuur en de werking van de controlediensten. Een dergelijke benadering laat toe om, met een geleidelijke en logische aanpak, de werking van de diensten te optimaliseren. De beslissing van de Ministerraad van 26 september 1997 om de hogervermelde controlediensten extern te laten doorlichten op basis van een lastenboek is een eerste stap om te komen tot een permanent extern toezicht op de werking van de controlediensten. De Regering heeft het beginsel onderschreven dat bij een eventuele herstructurering van de controlediensten de normen betreffende de voedselveiligheid onafhankelijk moeten worden gedefiniëerd in functie van de volksgezondheid en van de bescherming van de consument. De omzetting van deze normen op het niveau van de landbouwproductie en de controle erop moeten kaderen in een geïntegreerde benadering. Bij de toepassing van deze geïntegreerde benadering, binnen het kader van de conclusies van de bovenvermelde audit, dient wat betreft het vastleggen van gestructureerde productienormen rekening te worden gehouden met de specificiteit van de landbouwproductie. 1.3 De landbouw en de leefomgeving Het gevoerde beleid inzake bescherming van het leefmilieu heeft als rechtmatig en noodzakelijk doel de nationale en Europese economie op lange termijn te laten evolueren naar een duurzaam en leefbaar model voor de komende generaties. De landbouw is hierbij rechtstreeks betrokken. De landbouwers dragen bij tot de bescherming van milieu, natuur en landschap. Dit is ook het geval voor de landbouw in België. Sinds vooral de zestiger jaren heeft evenwel een sterke intensivering van de landbouw in België plaats gevonden waardoor de bescherming van milieu, natuur en landschap door de landbouw op dit moment in de verdrukking komt. Er zijn nog een aantal gebieden waar of de belasting van het milieu voor de landbouw gering is of de extensieve vorm van landbouw resulteert in hoge natuurwaarden. Verder draagt de landbouw bij tot het bewaren en het onderhoud van het landschap. De negatieve invloed van landbouw op milieu en natuur is althans voor Vlaanderen ondermeer aangetoond in de eerste drie Milieu- en natuurrapporten Vlaanderen. Het spreekt voor zich dat de bescherming van het leefmilieu en het onderhoud van het landschap ook inspanningen en bijkomende kosten met zich meebrengen voor de landbouwers, waarmee de gemeenschap rekening moet houden. De complexiteit en ondoorzichtigheid van de reglementering m.b.t. leefmilieu heeft als gevolg dat de gestelde doelstellingen niet steeds bereikt worden. Anderzijds is artikel 130 R van het Verdrag van Rome, namelijk het principe "de vervuiler betaalt", ook van toepassing op landbouw. Het is dan ook logisch dat in de relatie tussen milieu en landbouweconomie rekening wordt gehouden met de directe en indirecte kosten van milieuverontreiniging. Op diverse niveaus wordt dan ook het principe gehanteerd dat de landbouw gratis een basismilieukwaliteit en basisnatuurkwaliteit dient te leveren. Dit principe wordt ook erkend door de landbouwsector. Maatregelen die verder gaan dan de basismilieukwaliteit en basisnatuurkwaliteit dienen echter volledig vergoed te worden. Om het spanningsveld landbouw-milieu te verminderen is het noodzakelijk om althans in een overgangsperiode bepaalde vormen van landbouw te stimuleren via steun en begeleidende onderzoeksprogramma’s. Het handelt vooral om de bevordering van de omschakeling naar erkende systemen van biologisch-dynamische landbouw, erkende "low input" landbouwsystemen of naar erkende vormen van "geïntegreerde landbouw". Alle Europese verordeningen en richtlijnen op het vlak van milieu en natuur moeten volledig en correct worden geïmplementeerd en toegepast in alle Lidstaten. Het niet toepassen en naleven van milieunormen of verplichtingen kan immers leiden tot het ongewenste effect van concurrentiebevoordeling de facto dus scheef getrokken onderlinge concurrentieverhoudingen binnen de Europese Unie. De hervorming van het GLB en de nieuwe voorstellen van de Agenda 2000 trachten een duidelijkere band te leggen tussen de verschillende instrumenten die de landbouwmarkten en de leefmilieu-eisen regelen. In deze context is het gevaarlijk globale extensivering als enige gunstige factor te beschouwen voor de bescherming voor onze natuurlijke grondstoffen. Een te algemene toepassing van "extensivering" is niet altijd milieu- of natuureffectief. Het is vooral de gebruikte teelttechniek die van doorslaggevende aard is op het vlak van belasting van het milieu, veeleer dan de extensiveringsgraad. Zo garandeert de vermindering van veedichtheden niet noodzakelijk milieuvoordelen in situaties waar begrazing vanuit natuurbehoudsstandpunt aangewezen is. Verder is het vooral de gebruikte productietechniek (manier van inzet van grondstoffen en teelttechniek) die van doorslaggevende aard is op het vlak van belasting van het milieu, veeleer dan de extensiveringsgraad. |
|
2 EEN GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID CONFORM DE BASISPRINCIPES EN -DOELSTELLINGEN De vijf doelstellingen die duidelijk aan het GLB zijn toegewezen luidens artikel 39 van het Verdrag van Rome, zijn nog steeds relevant, nl. verhoging van de productiviteit in de landbouw, een gewaarborgde billijke levensstandaard voor de landbouwbevolking, stabilisering van de markten, gegarandeerde bevoorrading en gegarandeerde redelijke prijzen bij verkoop aan de consumenten. In de nabije toekomst moet het GLB de verwezenlijking hiervan blijven nastreven en daarbij uitgaan van het feit dat de landbouw een volwaardige economische sector is en nauw verbonden is met de economie als geheel. De drie grote grondbeginselen - markteenheid, communautaire preferentie en financiële solidariteit - moeten de grondslag van het GLB blijven uitmaken, doch tegelijk latere ontwikkelingen in het licht van de mundialisering van de economie mogelijk maken. 1 Er moet dan ook een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het markt- en prijsbeleid en het structuurbeleid voor de landbouw. In het markt- en prijsbeleid wordt het principe van de markteenheid concreet toegepast. Dit beleid is de gemeenschappelijke basis van waaruit alle lidstaten aan alle producenten eenvormige voorwaarden kunnen bezorgen, zodat zij zich zo harmonieus en zo billijk mogelijk kunnen ontwikkelen. Het spreekt vanzelf dat dit markt- en prijsbeleid moet worden aangevuld met een zo ver mogelijk doorgedreven onderlinge overeenstemming in een zo groot mogelijk aantal gebieden : gezondheid, dierengeneeskunde, plantenbescherming, fiscaliteit, sociaal beleid, milieubeleid, ... Het sociaal-structureel beleid voor de landbouw moet steeds worden gevoerd als een aanvulling op het markt- en prijsbeleid, met als doel bij de verwezenlijking van de doelstelling "verbetering van het producentenin-komen" rekening te houden met de grote verscheidenheid aan productievoorwaarden tussen de verschillende landbouwgebieden in de Europese Unie (geografische voorwaarden, bodem en klimaat, productiestructuren, ...). Hierbij dient te worden aangestipt dat deze verscheidenheid groter wordt naarmate de Gemeenschap verder wordt uitgebreid. 2 De aanpassing van het GLB moet in de eerste plaats een gevolg zijn van de evolutie van de landbouw zelf. Er moet dan ook zeer grote waakzaamheid aan de dag worden gelegd ten aanzien van alle ontwikkelingen die uitsluitend door budgettaire overwegingen zijn ingegeven. In dat verband moeten twee gevaren worden vermeden : a) een aanzet tot verkapte hernationalisering van het GLB waarbij het principe van de financiële solidariteit op de helling wordt gezet en de lidstaten ertoe worden gemachtigd om, ter compensatie van een verlaging van de Europese steun, de maatregelen aan te vullen met nationale middelen. Bovenop het reële gevaar voor concurrentievervalsing tussen de producenten, zou dit neerkomen op een financiering met nationale kredieten van uitgaven die verbonden zijn aan het markt- en prijsbeleid. b) gelet op de rol van drijvende kracht van de landbouw als het om plattelandsontwikkeling gaat, een trend om een aantal onderdelen van het markt- en prijsbeleid door te sluizen naar een plattelandsontwikkelingsbeleid, wat automatisch nationale medefinanciering en een gevaar voor concurrentievervalsing inhoudt. Rekening houdend met wat voorafgaat, heeft België de conclusies van 19 november 1997 van de besprekingen van de Landbouwraad over het landbouwgedeelte van Agenda 2000 en de conclusies van de Europese Top van 12 en 13 december 1997 aangenomen. Er wordt evenwel betreurd en beklemtoond dat deze conclusies geen melding maken van de onzekerheden inzake de verwezenlijking van de basishypothesen waarvan de Commissie is uitgegaan in haar budgettaire langetermijnberekeningen. 3 Ten aanzien van de hierboven weergegeven termijnen staan de Belgische en de Europese landbouw op een belangrijk keerpunt. Het is noodzakelijk dat de Belgische landbouw in een zo cruciale fase op federaal vlak kan rekenen op een Minister van Landbouw die op zijn beurt kan terugvallen op een sterk, voldoende vakkundig en geloofwaardig departement en op daarmee in overeenstemming zijnde middelen. De Belgische standpunten zullen dan na overleg met de Gewesten, en daar-door verstevigd, met doelmatigheid door de federale regering kunnen worden verdedigd in de Europese instellingen. Bovendien behoren de beslissingen in verband met het GLB in toenemende mate tot de supranationale bevoegdheden. In het hele besluitvormingsproces is nodig dat het federale Departement van Landbouw in sterkere mate wordt betrokken bij de onderhandelingen die door Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel worden gevoerd. 4 Omdat de in de Europese onderhandelingen besproken dossiers dermate complex zijn, is het Departement van Middenstand en Landbouw ertoe genoopt de voorbereiding van deze dossiers en de opvolging ervan aan te passen. Er moet hierover dringend worden nagedacht. In de nabije toekomst zouden de oprichting van een prospectiecel binnen het Bestuur voor het Landbouwbeleid (DG 2) en een beter uitgebouwde rol van de "studiediensten" van het Centrum voor Landbouweconomie ter ondersteuning van DG 2 al een aanzienlijke verbetering betekenen. 3 GEÏNTEGREERDE LANDBOUW MET PARTNERSCHAP In de meeste landen, waaronder die van West-Europa en België, is de landbouw van oudsher een van de belangrijkste sectoren met overheidsinmenging. Dat is gerechtvaardigd omwille van de rol die de landbouw vervult in de voedselvoorziening, een vraagstuk dat de hele wereld bezighoudt, en vanuit het totnogtoe bevoorrechte Europese model van privé-ondernemingen van het type gezinsbedrijf. Reeds in 1884 werd een Ministerie van Landbouw opgericht. In 1924 legde de Regering de officiële vertegenwoordiging van de landbouw vast. In 1963 werd de pariteitswet aangenomen. En vanaf 1962 nam de Europese Gemeenschap, met het GLB en de opeenvolgende hervormingen daarvan (de eerstvolgende in het kader van Agenda 2000), de fakkel over waar het gaat om overheidssteun aan de Landbouw. Zo zijn de bevoegdheden steeds meer in Europese handen overgegaan en moest een kader worden vastgelegd, waarbij de lidstaten verantwoordelijk bleven voor de toepassing voor de eigen landbouwers en tevens bevoegd waren voor bepaalde instrumenten en hefbomen die verband houden met de begeleiding van landbouwbedrijven. Gelet op de belangrijke plaats die de Overheid door de tijd heen heeft bekleed als ondersteuner van de landbouw is deze sector meer dan de anderen betrokken geweest bij de geleidelijke totstandkoming van het nieuwe institutionele landschap van ons land en bij het budgettaire soberheidsbeleid dat al sinds een aantal jaren wordt gevoerd. In 1995 kwam vanuit een streven naar samenhang, efficiëntie en schaalvergroting het Departement van Middenstand en Landbouw tot stand, wat gepaard ging met een volledige herstructurering en verdeling van de federaal gebleven bevoegdheden. Het partnerschap met de beroepskringen dat al lang bestond, werd eveneens versterkt en verstevigd op grond van een toegenomen medeverantwoordelijkheid, medebeheer en medefinanciering. Het is thans absoluut noodzakelijk dat al deze aanpassingen worden afgerond met aandacht voor een versteviging van de rendabiliteit van de landbouwactiviteit, voor een diepgaander partnerschap tussen overheid en bedrijf, maar ook voor een grotere openheid en een betere integratie van de productiesector, die aldus uit zijn geleidelijk isolement en soms zelfs uit de marginale en geculpabiliseerde sfeer moet worden gehaald. Als volwaardige sociaal-economische sector die in sterkere mate wordt beschermd vanwege zijn eigen aard, moet de landbouw zich thans ook aanpassen aan een omgeving met gewijzigde machtsverhoudingen binnen de agro-voedingsproductiekolommen en moet hij beantwoorden aan de nieuwe en veranderende verwachtingen van allen. In dat verband wordt aan de Regering voorgesteld dit compromis tussen economische realiteit en politieke wil te bevorderen door te streven naar evenwicht tussen de voorwaarden waaronder de landbouw wordt ingepast in de economie en die waaronder hij in de maatschappij is ingepast. Daarnaast behoort het haar ook toe om ook rekening te houden met de evolutie van de institutionele context van België. 3.1 Officiële vertegenwoordiging van de landbouw De Nationale Landbouwraad is een echt raadgevend college ten dienste van de Minister van Landbouw en KMO en bestaat uit vertegenwoordigers van de algemene landbouworganisaties, de gespecialiseerde landbouworganisaties van algemeen belang, alle Provinciale Landbouwkamers en de Minister van Landbouw en de KMO. De Raad mag beraadslagen en advies uitbrengen over landbouwaangelegenheden die hij op vraag van de Regering of uit eigen beweging onderzoekt. De volgende voorstellen worden gedaan :
3) om rekening te kunnen houden met de evolutie van de instellingen :
3.2 De bedrijfskolommen Gelet op het belang van de distributie en de verwachtingen van de consumenten ten aanzien van de voeding is het noodzakelijk dat op het vlak van de productie als centraal element van de agro-voedingskolom steeds sneller wordt ingespeeld op de signalen die zij geven, dit door een echt dynamisch overleg en door communicatie tussen de verschillende schakels van de bedrijfskolom. Er wordt voorgesteld op initiatief van het Ministerie van Middenstand en Landbouw en voor elk van de 4 grote productiesectoren (zuivel, vlees, akkerbouw en tuinbouw) een forum op te richten voor advies, overleg en evaluatie, dat de verschillende factoren moet opvolgen die bepalend zijn voor een geïntegreerde benadering over de hele bedrijfskolom en voor de concurrentiekracht van de betrokken sector. De analyse van de 4 bedrijfskolommen dient elk jaar bij het pariteitsverslag te worden toegevoegd, dat achtereenvolgens moet worden voorgelegd aan de Federale Landbouwraad, de Regering en de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Voor de sector "vlees" zal het initiatief gemeenschappelijk worden genomen door de Ministers van Volksgezondheid en Landbouw. Elke bedrijfskolom zal op een hoog niveau alle schakels en marktdeelnemers uit de betrokken productiesector en alle federale overheden die dienaangaande bevoegd zijn, samenbrengen. De bevoegde regionale overheden zullen zich hier ook kunnen laten vertegenwoordigen. De bedrijfskolom kan geen enkel prerogatief inroepen als beslissingen worden genomen. Haar rol is aanvullend ten aanzien van de opdrachten van de bestaande overleg- en adviesorganen, die wel rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken zijn. Voor de bedrijfskolom vlees zou dit bij voorbeeld het volgende geven : De sector : vertegenwoordigd door de representatieve organisaties van de sectoren, met name :
De consumenten zullen hierbij als deelnemer worden betrokken, zodat zij systematisch over alle activiteiten van de productiekolom worden geïnformeerd. Hun vertegenwoordiging gebeurt op voorstel van de Raad voor het Verbruik. De overheid : - Ministerie van Middenstand en Landbouw; - Ministerie van Sociale zaken, Milieu en Volksgezondheid; - Ministerie van Economische zaken; - parastatalen en/of wetenschappelijke instellingen : - Instituut voor Veterinaire Keuring (I.V.K.); - Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB); - Centrum voor landbouweconomie (C.L.E.); - De Vlaamse en Waalse administraties voor de landbouw; - de Vlaamse en Waalse afzetdiensten : VLAM, ORPAH, DARE-AWEX De Regering heeft ingestemd met het voorstel om de 4 bedrijfskolommen "zuivel", "vlees", "akkerbouw" en "tuinbouw" op te richten zoals hierboven beschreven en heeft de Minister van Landbouw en de KMO de opdracht gegeven deze tot stand te brengen, na overleg met de betrokken federale Departementen. Voor de bedrijfskolom "vlees" zal het initiatief gezamenlijk worden genomen door de Ministers van Volksgezondheid en Landbouw. 3.3 Analyse van de rendabiliteit van de Land- en Tuinbouw De zogenaamde pariteitswet van 1963 beoogt een verbetering van de rendabiliteit van de Landbouw en de Tuinbouw om deze gelijkwaardig te maken aan de andere sectoren van het bedrijfsleven. De wet legt de verplichting op om elk jaar een verslag bij het Parlement in te dienen over de evolutie van de land- en tuinbouweconomie. Hoewel de doelstellingen van deze wet bevestigd moeten worden, passen een aantal artikelen niet meer in de huidige institutionele context van het land. Bovendien is het daarmee samengaande debat thans onvoldoende binnen de wetgevende macht. Ten slotte moet dit debat het strakke kader van de productie doorbreken en zeker nieuw leven worden ingeblazen. Met betrekking tot deze wet wordt dan ook voorgesteld : - de inhoud ervan aan te passen aan de nieuwe verdeling van de bevoegdheden inzake landbouw tussen de federale overheid en de Gewesten; - erin te bepalen dat het jaarverslag over de evolutie van de land- en tuinbouweconomie moet vergezeld gaan van een overeenstemmende analyse die de vier bedrijfskolommen "Zuivel, vlees, akkerbouw en tuinbouw" hebben gemaakt van hun situatie; - erin op te nemen dat dit verslag en deze analyse van de bedrijfskolommen voor advies moeten worden voorgelegd aan de Federale Landbouwraad en vervolgens bij de Regering en nadien bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers moeten worden ingediend. De Regering heeft de hierboven vermelde beginselen onderschreven en heeft de Minister van Landbouw en de KMO opgedragen een voorstel in te dienen voor een wijziging van de wet van 1963 "ertoe strekkende de rendabiliteit in de landbouw op te voeren en zijn gelijkwaardigheid met de andere sectoren van het bedrijfsleven te bevorderen" na raadpleging van de Minister van Economie. 3.4 De brancheorganisaties Sinds enkele jaren geven de sectoren "zuivel" en "suiker", die gekenmerkt worden door een eenvoudige productieketen, de voorkeur aan de brancheorganisaties waarvan de doeltreffendheid en de resultaten buiten kijf staan. Meer recent heeft de sector rundvlees naar aanleiding van de problemen rond de dollekoeienziekte eenzelfde keuze gemaakt, niet alleen om in elke schakel van de keten samenhangend en met gebundelde krachten te kunnen optreden, maar ook om als bevoorrechte gesprekspartner bij de overheid te kunnen optreden, met name in het kader van de betrokkenheid bij de uitvoering van bepaalde beleidslijnen. Daarom wordt voorgesteld om, inspelend op eventuele andere dergelijke verzoeken vanuit andere sectoren, de rechtsgrond die de rol van deze brancheorganisaties met betrekking tot productie, aanbod, aankoop, verpakking en verkoop van producten officialiseert, uit te breiden. De Regering heeft zijn goedkeuring gehecht aan het voorstel tot erkenning van de brancheorganisaties zoals hierboven verwoord en draagt de Minister van Landbouw en de KMO op een daarmee overeenstemmende wijziging uit te werken van de bedoelde wet van 28.03.75 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, na raadpleging van de Minister van Economie. 3.5 Partnerschap tussen overheid en beroep Meer dan in elke andere sector gelden in het landbouwbedrijf uiterst ingewikkelde administratieve procedures. Deze houden niet alleen algemene verplichtingen in, maar ze verplichten de landbouwers ook mee te werken aan de identificatie van de hele veestapel, de algemene telling van vee en gewassen en het vervullen van talrijke formaliteiten die in het bijzonder voortvloeien uit de toepassing van het GLB. Er moet zeker werk worden gemaakt van een algemene vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten in overleg met de beroepskringen, namelijk in het kader van de programmawet van 10 februari 1998 voor de bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. Bovendien blijft de Regering een budgettair soberheidsbeleid opleggen aan alle federale departementen. Het Ministerie van Middenstand en Landbouw moet daarbij enerzijds afrekenen met beperkte menselijke en materiële middelen en anderzijds het hoofd bieden aan een steeds verscheidener en ingewikkelder regelgeving in verband met het GLB, het enige echte eengemaakte beleid op Europees vlak. Als het tegelijk zijn dienstverlening aan de "klant" wil verbeteren met inachtneming van het Handvest van de Gebruiker en zijn Europese verplichtingen op het stuk van termijnen en controles wil nakomen, moet het dan ook het partnerschap met de beroepsorganisaties uitbreiden. Dit teneinde zijn beschikbaarheid om controles uit te voeren en zich te rechtvaardigen ten aanzien van de Europese overheid te optimaliseren, maar ook en vooral, om een betere voorlichting ten dienste van het beroep mogelijk te maken. Dit partnerschap, dat al een heel eind is gevorderd waar het om het normatieve beleid gaat, moet worden uitgebreid tot de tenuitvoerlegging van het GLB, in het bijzonder met betrekking tot de aanmaak van persoonsgebonden dossiers, aan de hand van modellering en uniformisering van het dossierbeheer evenals door de coördinatie van informaticamateriaal tussen de overheid en het beroep. De beroepsorganisaties en desgevallend andere organisaties die daartoe zullen erkend worden, zullen een vergoeding ontvangen voor de prestaties, uitgevoerd voor rekening van de overheid. Dit partnerschap omvat evenwel niet de controle die nog steeds uitsluitend aan de overheid toekomt. In dat verband en om dit partnerschap te verzekeren op grond van medefinanciering, medebeheer en medeverantwoordelijkheid, wordt voorgesteld een Begrotingsfonds op te richten bij het Bestuur voor het landbouwproductiebeheer (DG 3) van het Ministerie van Middenstand en Landbouw. De Regering heeft zijn instemming betuigd met het voorstel tot oprichting van een bijzonder begrotingsfonds bij het Bestuur voor het landbouwproductiebeheer (DG 3) en heeft de Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en de Minister van Begroting opgedragen wetsontwerpen terzake in te dienen. 4 PERFORMANTE ONDERNEMERS EN ONDERNEMINGEN Geconfronteerd met al deze hervormingen, met de liberalisering en mundialisering van het handelsverkeer waardoor de concurrentie toeneemt, moeten onze landbouwbedrijven zowel aan interne als aan externe eisen voldoen die samenhangen met ons in wezen "verstedelijkt" landbouwtype met sterk presterende gezinsbedrijven. Als men wil dat deze sector verder werkgelegenheid verschaft (zowel in de sector zelf als in de toeleverings- en afnamesectoren) en zijn verwachte multifunctionele rol kan spelen is het absoluut vereist dat daartoe een economische, sociale, financiële omgeving wordt geschapen die hem veiligheid schenkt en gunstige voorwaarden inzake concurrentie en competitiviteit creëert. 4.1 Het landbouwbedrijf De instandhouding van het gezinsbedrijf met persoonlijke aansprakelijkheid en het behoud van een zo groot mogelijk aantal levensvatbare landbouwbedrijven zijn onontbeerlijk opdat de Landbouw aan alle verwachtingen van de maatschappij zou kunnen beantwoorden. Deze doelstellingen noodzaken het vastleggen van de specifieke kenmerken van de landbouwproducent, zonder dat men zich echter gaat vastpinnen op een te strak juridisch kader dat met name de toepassing van de regelgeving van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zou bemoeilijken. In dit verband moet de landbouwproducent worden omschreven als hij die, als natuurlijk persoon, als rechtspersoon of als een groepering van natuurlijke personen of rechtspersonen of van beide, autonoom, d.w.z. voor eigen voordeel en eigen rekening, een landbouwbedrijf leidt waar land- of tuinbouwproducten worden voortgebracht en waarbij hij vrij kan beslissen over het gebruik van de productie-eenheden of de inzet van productiemiddelen. Hiermee rekening houdend en om de oprichting van vennootschappen zoals die thans in de praktijk voorkomen en die het gezinsbedrijf kunnen bedreigen, te vermijden, moeten nieuwe instrumenten worden onderzocht. Daarom lijkt een herziening van een aantal bepalingen uit de pachtwet zeker aangewezen. Gelijklopend daarmee en in het bijzonder voor de rechtspersonen, wordt ook voorgesteld de hoedanigheid en de rechten van de landbouwvennootschap en van de zaakvoerder beter te omschrijven, om te voldoen aan ver. 3887/92 (art. 2) die de Lidstaten de verplichting oplegt "om de nodige maatregelen te nemen en te vermijden dat wijzigingen van bestaande bedrijven of het oprichten van nieuwe bedrijven na 30 juni 1992 zouden leiden tot een duidelijk onrechtmatig omzeilen van de bepalingen inzake maxima voor het verkrijgen van premies". Vennootschappen die een land- of tuinbouwactiviteit als doel hebben opgegeven, zullen op die manier alleen als land- of tuinbouwonderneming worden erkend als de land- of tuinbouwactiviteit de voornaamste activiteit van de vennootschap is. De bestuurders, zaakvoerders of beherende vennoten moeten aantonen dat zij eveneens voldoen aan de verplichting inzake het hoofdberoep in de landbouw. Dit houdt in dat zij ten minste de helft van hun beroepsinkomsten uit de betrokken vennootschap moeten halen en dat zij daar ten minste de helft van hun werktijd aan besteden. 4.2 De contractuele landbouw De contacten tussen de landbouwproducenten en de economische marktdeelnemers uit de toeleverings- en afnamesectoren worden steeds talrijker en intenser. De economische marktdeelnemers uit de afnamesectoren willen hun bevoorrading veilig stellen, maar die bevoorrading ook afstemmen op de normen die aansluiten op de gebruikte technologie. In een aantal sectoren van de landbouwproductie bieden de verwerkers aan de telers (groenten, vlas, aardappelen, ...) standaardcontracten aan. De bij contract vastgelegde betrekkingen tussen integratoren en geïntegreerden zijn geregeld in de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector dierlijke productie, die op dat gebied een grotere rechtszekerheid nastreeft. De rechtbanken zijn bevoegd voor de behandeling van eventuele betwistingen. In het belang van de overeenkomstsluitende partijen wordt voorgesteld de oprichting aan te moedigen van nationale bemiddelingskamers voor bepaalde sectoren van de landbouweconomie. Deze bemiddelingskamers zouden de volgende opdrachten hebben : - de overeenkomstsluitende partijen op eigen verzoek met elkaar verzoenen; - advies uitbrengen op verzoek van de overheid; - op verzoek van een sector standaardcontracten uitwerken of goedkeuren onder verwijzing naar bepaalde normen en met inachtneming van een evenwicht tussen de rechten en de plichten van de partijen. Die kamers worden paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de landbouwproducenten en de economische marktdeelnemers uit de toeleverings- en afnamesectoren. Ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw staan in voor het secretariaat van de kamers. 4.3 Het Landbouwfonds Opdat de landbouw haar economische opdracht zou kunnen vervullen in het algemeen belang van het land, moet het nationaal landbouwbeleid het voortbestaan van de goed beheerde landbouwbedrijven op het nationaal grondgebied waarborgen en tot hun rendabiliteit bijdragen om de land- en tuinbouwers de mogelijkheid te bieden samen met hun gezin te kunnen leven van de uitoefening van hun beroep. Wanneer de nationale specifieke kenmerken dit vereisen, moet dit soort beleid bijkomende nationale middelen voorzien die compatibel zijn met de communautaire financieringen die voortvloeien uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het Landbouwfonds, dat sedert 1991 als begrotingsfonds werkt, is een belangrijk instrument van het Ministerie van Middenstand en Landbouw om deze doelstelling te bereiken. Het moet derhalve in de toekomst behouden worden. Er dient echter opgemerkt dat een aantal omstandigheden veranderd zijn sedert de oprichting van dit Landbouwfonds (wet van 1955). Een actualisering van de wettelijke basis dringt zich dus op. Deze evolutie in de omstandigheden betreffen het eigenlijk beheer van dit Fonds en de wijzigingen op het vlak van de institutionele omkadering ervan. Rekening houdend met de landbouwspecificiteit van de door het Fonds gefinancierde acties, en met het oog op de soepelheid en doeltreffendheid in de procedures, worden de belangrijke beslissingen inzake interventie van de Landbouwfonds al jarenlang rechtstreeks door de Minister van Landbouw en de KMO genomen, na overleg met beroepsorganisaties van het Groen Front en van de Gewesten. Dit systematisch overleg vervangt dus in de praktijk de raadpleging van de Hoge Raad van het Landbouwfonds opgericht in de wet van 1955. De afschaffing van deze Raad in de wettelijke basis zou dus voorgesteld worden. De Regering heeft de Minister van Landbouw en de KMO gemachtigd om een wetsontwerp in te dienen tot wijziging van de wet van 1955 tot oprichting van het Landbouwfonds. 4.4 Installatie, opvolging en continuïteit van de landbouwbedrijven 4.4.1 Voortzettingsstelsel in geval van gedeeltelijke overname Ingeval van overname van een algemeenheid of een bedrijfstak worden de stopzettingsmeerwaarden, bij toepassing van het voortzettingsstelsel, niet belast indien de beroepsactiviteit of de bedrijfstak voortgezet wordt door de echtgenoot of een erfgenaam of erfgerechtigde in directe lijn van de overlater. In de land- of tuinbouw neemt de zoon/dochter in heel wat gevallen eerst een deel van het bedrijf over om gedurende een bepaalde periode samen met de overlatende ouders te exploiteren. Deze praktijk waarbij twee generaties gedurende een zekere tijd de productiemiddelen samen beheren is bevorderlijk voor de continuïteit van de bedrijfsmodernisering en vermindert in belangrijke mate het mislukkingsgevaar voor de nieuwe bedrijfsleiders. In dit geval is de toepassing van artikel 46 WIB 92 moeilijk gebleken bij gebrek aan een sluitende omschrijving van het toepassingsgebied van het begrip bedrijfstak, en dit ondanks arresten, zoals onder meer het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 27 september 1985. De Minister van Financiën stemt ermee in om binnen het kader van het huidige artikel 46 WIB 92 de toepassing ervan door middel van een omzendbrief nader te specifiëren derwijze dat ondubbelzinnig duidelijk wordt gesteld wat onder bedrijfstak dient te worden verstaan, met name : elke opsplitsbare professionele activiteit (zoals be- of verwerking, commercialisatie, ...). die duidelijk geïndividualiseerd kan worden en, op zich, autonoom als bedrijfsactiviteit kan worden uitgeoefend, onverminderd het verdere bestaan van een rechtstreekse band met de andere bedrijfstakken in de oorspronkelijke onderneming en de plaats waar deze activiteiten worden ontwikkeld. De Regering heeft het voorstel goedgekeurd en de Minister van Financiën opgedragen daartoe een omzendbrief op te stellen in het kader van het huidige artikel 46 WIB 92. 4.4.2 Verhouding eigenaar - pachter Gezien de investeringsnoodzaak op het land- of tuinbouwbedrijf inzake gebouwen, materieel, milieu, ... moeten eigenaars van gronden gemotiveerd worden om hun gronden te verpachten voor een bepaalde minimumduur, met het oog op meer bedrijfszekerheid voor de land- en tuinbouwers. Daartoe dient een doelgerichte fiscale prikkel te worden gegeven aan eigenaars die hun gronden verpachten bij authentieke akte. Voorgesteld wordt dat voor gronden waarop bij authentieke akte een minimumpacht van 18 jaar is gevestigd, de eigenaars kunnen genieten van een volledige vrijstelling van de belasting op de inkomsten uit onroerend goed in het kader van de inkomstenbelasting.[...] Daartoe zal de pachtwet gewijzigd worden, met name door de opname van het begrip "pacht van lange duur", waarna artikel 12 § 2 WIB 92 dienovereenkomstig zal worden aangepast. De Regering heeft akte genomen van dit voorstel en heeft de Minister van Financiën en de Minister van Landbouw en van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen gelast om na te gaan of deze maatregel ook kan toegepast worden ten gunste van de bebossing. 5 FISCAAL STATUUT 5.1 Afzonderlijke belasting van EG-steunregelingen Artikel 171,4° i) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 92) voorziet in een afzonderlijke belasting aan een tarief van 16,5 % voor een aantal limitatief in het WIB opgesomde EG-steunregelingen. Dit afzonderlijk, verlaagd tarief wordt verantwoord door het feit dat deze premies worden toegekend als vergoedingen ter compensatie van een inkomensverlies of een vermindering van activiteit (o.a. via extensivering). Rekening houdend met de complexiteit en de vele aanpassingen van de verschillende Europese steunregelingen en om te vermijden dat de bestaande lijst jaarlijks moet worden aangepast, dient een algemene definitie van deze EG-steunregelingen ingeschreven te worden. Dergelijke formulering creëert ook meer rechtszekerheid voor de betrokken landbouwers. Er wordt voorgesteld om de tekst van artikel 171, 4° i), van het WIB 92 te vervangen door de volgende tekst : "Onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de premies en vergoedingen ingesteld door de EG, die de Koning erkent als vergoedingen als compensatie van een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van stopzetting". De Regering heeft de hierboven vermelde beginselen goedgekeurd en heeft de Minister van Financiën de opdracht gegeven daartoe een wetsontwerp voor te leggen. 5.2 Behoud van de bijzondere B.T.W.-regeling voor landbouwbedrijven met commerciële nevenactiviteiten Een aantal land- en tuinbouwbedrijven moeten, omwille van de leefbaarheid van het bedrijf en om het verlies ten gevolge van productiebeperkingen en milieureglementeringen te compenseren, op zoek naar bijkomende inkomstenbronnen die aansluiten bij hun bedrijfsactiviteit. Het betreft o.a. de verkoop op boerenmarkten, hoevetoerisme, kleinere landbouwloonwerkactiviteiten, bepaalde verwerkingen van eigen producten, ... Aangezien deze activiteiten niet onder de bijzondere B.T.W.-regeling vallen, vrezen deze bedrijven evenwel dit forfaitair B.T.W.-systeem te zullen verliezen voor het geheel van hun activiteiten, ook voor deze activiteiten die wel in aanmerking komen voor de bijzondere B.T.W.-regeling. Hierbij wordt evenwel voorbijgegaan aan het feit dat de huidige BTW-wetgeving reeds het samengaan van de bijzondere landbouwregeling met verschillende andere BTW-regelingen toelaat. De informatieverstrekking hieromtrent zou echter in beide landsgedeelten niet altijd even harmonieus verlopen. Om hieraan te verhelpen dient de BTW-administratie naar haar plaatselijke controlekantoren en naar het publiek toe een overzichtelijke en duidelijke publicatie te verspreiden waarin de diverse mogelijkheden dewelke de huidige wetgeving biedt, worden uiteengezet De Regering heeft het voorstel goedgekeurd en heeft de Minister van Financiën opdracht gegeven dit uit te voeren. 6 MANAGEMENT EN TE GROTE SCHULDENLAST In de land- en tuinbouwsector is er een sterke verwevenheid tussen familiaal vermogen en bedrijfsvermogen. Handelaars en handelsvennootschappen kunnen, bij ernstige financiële problemen, eventueel terugvallen op de faillissementsregeling in toepassing waarvan er met de zo nodig schuldeisers een collectieve schuldenregeling kan uitgewerkt worden. Land- en tuinbouwers zijn geen "kooplieden" zoals bedoeld in het handelsrecht en kunnen derhalve niet terugvallen op de faillissementswetgeving. Dit geldt eveneens wanneer de landbouwactiviteit ondergebracht is in een vennootschapsvorm zoals bv. de landbouwvennootschap. De financiële middelen die nodig zijn om een land- of tuinbouwbedrijf "draaiende" te houden zijn dermate toegenomen dat ook voor de land- en tuinbouwsector een aangepaste regeling noodzakelijk is die hun privé-vermogen ten dele vrijwaart en die een zekere timing voorziet binnen de welke een regeling met de schuldeisers moet afgesloten worden. Het was dus van belang dat de land- en tuinbouwer mede opgenomen werd in het wetsontwerp ter voorkoming van de overmatige schuldenlast. Het wetsontwerp heeft tot doel een collectieve schuldenregeling te voorzien voor alle natuurlijke personen (inclusief zelfstandigen, vrije beroepen, land- en tuinbouwers) die geen koopman zijn en die zich in de onmogelijkheid bevinden om hun openbare en nog te vervallen schulden te vereffenen. Het doel van het wetsontwerp bestaat erin de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen en te garanderen dat de schuldenaar en zijn gezin een menswaardig bestaan kunnen leiden. Voor de toepassing van het wetsontwerp dienen schuldbemiddelaars aangeduid en erkend te worden die kunnen fungeren als tussenpersoon tussen de schuldeisers en de schuldenaar. Rekening houdende met de specificiteit van de land- en tuinbouwsector is het noodzakelijk dat er voor de schuldafwikkelingsregeling bemiddelaars zouden kunnen aangeduid worden die een ruime kennis hebben van de verschillende deelaspecten van de land- en tuinbouwsector. Er wordt voorgesteld om bij de erkenningsvoorwaarden van de schuldbemiddelaars terdege rekening te houden met de specificiteit van de land- en tuinbouwsector. De Regering heeft de hierboven beschreven principes onderschreven en de Minister van Landbouw en KMO gemachtigd om de problematiek van de erkenningsvoorwaarden van de schuldbemiddelaars voor te leggen aan de Gemeenschapsregeringen en/of de Gewestregeringen, in het kader van de collectieve schuldenregeling voor de landbouwsector. 7 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING De betrokkenheid van de overheid bij het op de landbouw gerichte onderzoek dateert van het einde van de vorige eeuw, van vlak na de oprichting van het Ministerie van Landbouw (de oudste stations zijn meer dan 125 jaar oud). Sedertdien zijn de rol en het belang van het door de overheid gesteunde onderzoek en ontwikkeling voortdurend veranderd en aangepast aan de evolutie van de context waarin ze zich situeren. De jongste aanpassing was de afschaffing van het IWONL en de inpassing van de landbouwafdeling daarvan in het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Aan de vooravond van het jaar 2000 is er meer dan ooit behoefte aan een doeltreffend en objectief onderzoek waarbij de resultaten snel beschikbaar zijn. Dit moet het mogelijk maken : - de prestaties en concurrentiepositie van onze producenten te verbeteren; - het hoofd te bieden aan de gevolgen van het vrije verkeer van producten in de eenheidsmarkt en de uitvoer ervan naar derde landen, door met name efficiënte middelen ter beschikking te stellen van het controle- en preventiebeleid; - een kwaliteitsgericht beleid te voeren waarbij zowel aan de eisen inzake voedselveiligheid als inzake leefomgeving aandacht wordt besteed. Onderzoek en Ontwikkeling vallen onder de bevoegdheid van het Ministerie van Middenstand en Landbouw en zijn geïntegreerd in, complementair aan, en onmisbaar voor de opdrachten en beleidsvorming van de andere Besturen van het Departement : 1 de wetenschappelijke instellingen, waarvan de opdrachten en de organisatie met de herstructurering voortvloeiend uit de doorlichting grondig werden aangepast en waarvan de plaats in het Ministerie van Middenstand en Landbouw werd verstevigd (dienstopdrachten). Die herstructurering heeft thans de eindfase bereikt. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan een versteviging van de contacten en de communicatie tussen vorsers, voorlichters en producenten met als doel de resultaten snel ter beschikking te stellen. 2 het contractuele onderzoek, waarvan de per programma samengebrachte acties moeten afgestemd zijn op de hierboven vermelde bekommernissen. Daartoe behoren : - het op de landbouw gerichte onderzoek dat wordt uitgevoerd door doeltreffende onderzoeksteams die de problemen van de sectoren en de overheid onderzoeken; - het dienstverlenend onderzoek ter ondersteuning van door de overheid ontwikkelde acties in verband met controleopdrachten en regelgeving (namelijk medegefinancierd door de Begrotingsfondsen voor het Departement); - het ontwikkelingsonderzoek waarbij wordt gestreefd naar een snelle verspreiding van de resultaten naar de praktijk (langs groepsvoorlichting) via partnerschap met de sectoren : proeftuinen, landbouwcentra, rundveeselectie- en prestatiecentra. De Consultatieve Raad voor Onderzoek en Ontwikkeling speelt in dit verband een uiterst belangrijke rol inzake adviesverlening over de gerichtheid, de prioriteiten en de beoordeling van aangevatte onderzoekingen. Vanuit een streven naar rationalisering en doeltreffendheid zou een nieuwe benadering moeten worden voorgesteld van het gebruik van de thans voor het contractuele onderzoek beschikbare budgetten, waarbij differentiëring van de selectiecriteria mogelijk moet worden voor onderzoeksprogramma’s die in het kader van de drie hierboven omschreven luiken worden ingediend. In dit kader zal, in overleg met de Gewesten, de nodige aandacht besteed worden voor onderzoek naar de best beschikbare technologieën, met name de landbouwtechnieken met de minste milieubelasting. |
|