| Latijnse benaming : | Aphis fabae Scoop |
| Familie : | Aphididae |
| Orde : | Homoptera |
| Nederlandse benaming : | Zwarte bonenluis |
| Franse benaming : | Puceron noir de la fève |
| Engelse benaming : | Black bean aphid; Black fly |
| Duitse benaming : | Schwarze Bohnenlaus |
Deze bladluizen zijn eveneens potentiële overbrengers van virusziekten. Hun aandeel in de verspreiding van de bietenvergelingsziekte wordt als eerder gering beschouwd.
De zwarte wintereieren worden afgezet in de oksels van knoppen op de takken van kardinaalsmuts, gelderse roos en sneeuwbal.
Uit deze eieren komen de eerste wijfjes (fundatrices), die een generatie ongevleugelden voortbrengen, die op hun beurt, en nog steeds op ongeslachtelijke wijze, gevleugelde vrouwtjes (Figuur 3.38.) produceren. Deze laatsten vliegen naar de zomerwaardgewassen en produceren daar opnieuw ongevleugelde individuen die de onderzijde van de bladeren koloniseren.
Het overgrote deel van de populatie wordt in de tweede helft van juli
vernietigd door natuurlijke parasieten.
Pas in de herfst wordt een geslachtelijke generatie gevleugelden gevormd die
naar de winterwaarden vliegt om er eieren af te zetten.
In juni kan er gewacht worden tot er per plant meerdere kolonies van minstens 50 bladluizen aanwezig zijn. Na die datum is een bespuiting meestal niet meer zinvol. Vanaf dan zorgen de natuurlijke vijanden van de bladluizen namelijk voor een sterke verzwakking en zelfs vernietiging van de bladluiskolonies.