| Latijnse benaming : | Myzus persicae Sulzer |
| Familie : | Aphididae |
| Orde : | Homoptera |
| Nederlandse benaming : | Groene perzikluis |
| Franse benaming : | Puceron vert du pêcher |
| Engelse benaming : | Peach-potato aphid |
| Duitse benaming : | Grüne Pfirsichblattlaus |
Veel belangrijker is de indirekte schade die zij kunnen toebrengen als overbrengers van virusziekten en in het bijzonder als overbrengers van de vergelingsziekte (zie paragraaf 2.1.1., Vergelingsziekten).
Overwintering gebeurt door "wintereieren", die in de oksels van de knoppen van de perzikboom of Amerikaanse vogelkers worden afgezet (holocyclische overwintering).
Anderzijds kunnen ze ook als volwassen bladluizen of als larven overwinteren op koolsoorten, spinazie en verscheidene onkruidsoorten, in voederbietenkuilen of krotenbewaarplaatsen en in kassen met waardplanten (anholocyclische overwintering).
Vanaf april, maar meestal pas in mei, vliegen de gevleugelde vrouwelijke bladluizen, dit hetzij uit de wintereieren, hetzij uit de overwinterende ongevleugelde bladluizen zijn voorgekomen, naar de veldgewassen. Daar zetten zij zich vast aan de onderkant van de bladeren, waar in de loop van het seizoen verschillende generaties vrouwelijke bladluizen elkaar opvolgen. Deze generaties bestaan aanvankelijk uit ongevleugelde bladluizen (Figuur 3.33.), en vervolgens, tijdens de zomervluchten, uit gevleugelde individuen. Al deze bladluizen ontstaan uit ongeslachtelijke voortplanting.
In de herfst verschijnen de geslachtelijke, gevleugelde bladluizen, die hun eieren op de winterwaarden afzetten. Enkel in de nazomer en in de herfst zijn er mannelijke bladluizen.
De nog aanwezige ongevleugelde vrouwtjes kunnen op de gewassen in het veld overwinteren wanneer de temperatuur gedurende langere tijd niet beneden -10°C komt.
Indien er vanaf het begin van de teelt een groot risico bestaat voor aantastingen geeft een preventieve behandeling bij het zaaien met specifieke microgranulaatinsekticiden goede resultaten.
We vestigen hier ook de aandacht op de belangrijke rol die andere soorten groene bladluizen, in het bijzonder Myzus ascalonicus (Figuur 3.35.) en Macrosiphum euphorbiae (Figuur 3.36.), kunnen spelen in de verspreiding van de bietenvergelingsziekte.
De schadedrempel die voor de bietenteelt in België werd bepaald bedraagt 2 groene bladluizen per 10 planten, om het even welke soort.
Voor een gegeven bietenstreek wordt een spuitadvies uitgezonden door het Instituut vanaf het moment dat deze schadedrempel bereikt werd in meer dan 20 % van de waarnemingsvelden van het Instituut in deze streek.