| Latijnse benaming : | Heterodera schachtii Schmidt |
| Familie : | Heteroderidae |
| Nederlandse benaming : | Bietecystenaaltje; Bietecystenematode |
| Franse benaming : | Nématode de la betterave; Nématode à kystes blancs |
| Engelse benaming : | Beet eelworm; Beet cyst nematode |
| Duitse benaming : | Rübennematode |
Het bietecystenaaltje komt voor op alle grondsoorten, maar vooral in lichte, zandige gronden en in zeeklei.
De schade door deze aaltjes werd vroeger beschouwd als een gevolg van bodemmoeheid. In de zwaar aangetaste percelen kunnen ze opbrengstverliezen veroorzaken tot 50 %.
De hoofdwortel van een aangetaste plant ontbreekt veelal en de biet ontwikkelt abnormaal veel zijwortels en wortelharen, die bezet zijn met kleine, witte cysten. De biet krijgt een gebaard uiterlijk (Figuur 3.83.).
De symptomen verschijnen meestal pleksgewijs of in gedeelten van het aangetaste veld (Figuur 3.84.).
Elke cyste bevat 100 tot 300 eitjes. Gedeeltelijk onder invloed van wortelafscheidingen van de waardplanten komen deze eitjes uit. Als geen waardgewas wordt verbouwd vermindert de inhoud van de cysten jaarlijks met gemiddeld 35 %. Deze cysten zijn de overlevingsvorm van de aaltjes.
Hun ontwikkeling is afhankelijk van de weersomstandigheden. In België kunnen twee tot drie generaties per jaar gevormd worden.
Aangetrokken door de wortelsappen van de waardplanten begeven de uitgekomen larven zich naar de wortels en dringen er binnen. Vervolgens doorlopen ze vier ontwikkelingsstadia.
Waardplanten zijn onder andere alle soorten bieten, spinazie, koolsoorten, radijs, koolzaad, mosterd en bladrammenas.
Enkel een bodemanalyse door een gespecialiseerd laboratorium laat toe een gefundeerde beslissing te nemen over phytotechnische, biologische of chemische maatregelen.