Nog geen abonnee? Gids voor de aardappelen.
|
Maïswortelknobbelaaltje
Algemeen Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's Er is alleen bij hoge beginbesmettingen (circa 2000 J2 /100 ml grond ) groeirem-ming in het gewas en een verlate bloei waargeno-men.
Zwaar aangetaste wortels vertonen zeer kleine, enigszins langwerpige, knotsvormige knobbels (1 en 2). Vertakkingen vanuit de knobbeltjes ("spinvorming") zoals bij aantasting door het noordelijk wortelknobbelaaltje, komen niet voor.
In warme zomers, als twee of soms drie generaties worden gevormd, worden ook de knollen aangetast. Aangetaste knollen vertonen pukkels waarin zich de aaltjes en eieren bevinden (3 en 4) (niet te verwarren met zich ontwikkelende pukkels of wratten van poeder-schurft). De aaltjes komen vrij diep in de knol voor, vaak in de buurt van de vaatbundelring (5). De knolaantasting wordt bevorderd door vocht (beregenen) op het moment dat de jonge aaltjes uit de eieren komen (vanaf begin juli). De verwerkende industrie moet aangetaste knollen dikker schillen, bovendien blijft er meer grond aan de knollen hangen. Schade is vooral kwalitatief; opbrengstderving komt waarschijnlijk alleen voor bij zeer hoge aanvangsbesmettingen. De indruk bestaat dat ook het onderwaterge-wicht van aangetaste knollen lager is. Bij 3 generaties kan meer dan 80% van de knollen zijn aangetast.
(J2= jong aaltje in het tweede stadium)
In Amerika zijn partijen met meer dan 10% aangetaste knollen niet meer verhandel-baar voor directe consumptie. In de warme zomer van 1989 was in een veldproef tot 40% van de knollen aangetast.
Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
De aaltjes overwinteren in de grond als eipakketjes en als vrije larven. In de wortels van overwinterende gewassen kan het aaltje in alle ontwikkelingsstadia overwinteren.
Bij 5 °C worden de aaltjes aktief. De uit het ei komende J2 is slank en mobiel. De larven dringen de wortels veelal bij de vertakkingen binnen en prikkelen de plant tot het vormen van maximaal vier grote voedingscellen (reuzencellen) per aaltje, dat zich hieruit voedt. Als er meer juvenielen dicht bijeen in de wortel zitten treden zwellingen op waardoor de typische wortel-knobbel-tjes ontstaan. Na de vorming van de voedingscellen ontwikkelen de aaltjes zich via drie vervellingen tot volwassen dieren, waarbij ze steeds meer opzwellen en het bolvormig wijfje uiteindelijk door de wortelschors barst en in een gelatineuse substantie (de matrix, eierzak of eiprop) haar eieren afzet. De slanke mannetjes ontwikkelen zich binnen de huid van de flesvor-mige J4. Op het moment dat de vrouwtjes met hun achterlijf door de wortelschors barsten, verlaten de mannetjes de wortels en zoeken de vrouwtjes om te paren. M. chitwoodi kan zich ook ongeslachtelijk vermeerderen. Bij bodemtempe-raturen van 20 °C is de generatieduur 56 - 57 dagen, bij 10 °C 187 - 189 dagen.
Bij knolaantasting dringen de larven binnen via de onverkurkte epidermis en via lenticellen. Ze kunnen tot diep in het knolweef-sel doordringen, maar verblijven meestal rond de vaatbundelring. In het schors- en parenchymweefsel van de knol lossen cellen op waardoor ruimte voor de vrouwtjes en hun eierzakken ontstaat. In de cellen rond de ontstane holten treedt verkurking op. Deze verkurkte cellen kleuren bruin en vormen een beschermende laag rond de eieren in het knolweefsel. Zo ontstaan de kenmerkende bruine pukkels vlak onder de schil en de necrosen in schors en merg. De larven van de nieuwe generatie kunnen de knol alleen via beschadigingen verlaten. De overlevings-duur van de aaltjes in de knol loopt synchroon met die van de knol. Poters kunnen dus deze aaltjes verspreiden.
Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's Het maiswortelknobbelaaltje heeft naast zeer veel tweezaadlobbi-gen ook maïs, granen en grassen als waardplant. Daardoor is (nog) geen goed vruchtwisselingsad-vies te geven ter beperking van schade door dit aaltje; onderzoek is gaande.
Goede waardplanten die tevens een lange teeltduur hebben waardoor zich per teelt meerdere generaties van het aaltje kunnen ontwikkelen, bevorderen de populatieont-wikkeling van M. chitwood-i. Op veel percelen waar het aaltje is gevonden zijn in voorgaande jaren schorseneren geteeld. Dit gewas is een zeer goede waard met een teeltduur van vaak meer dan een jaar. Hetzelfde geldt voor teunisbloem. Ook aardappel is een goede waard en er is een duidelijk verband gevonden tussen teeltduur en nagelaten besmetting, in die zin dat hoe langer het gewas groen blijft, hoe zwaarder de nagelaten aaltjesbesmetting is.
M. chitwoodi is zeer gevoelig voor grondbehandeling met fumigan-ten (gasvormige nematiciden).
(Bron: Aardappelziektenboek, Aardappelwereld Bv - H. Brinkman en A. Mulder) Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
|
| © Agris, 2000 | Vragen, opmerkingen of suggesties kunt u altijd mailen naar info@agris.be |