Agris logo
Home


Nog geen abonnee?

Gids voor de aardappelen.

  Akkerbouw     Veehouderij   Tuinbouw   Economie   Politiek   Markten   Milieu   Weer   Beurs

Syngenta oplossingen in aardappelen

De aardappelziekte.


Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
Algemeen
De aardappelziekte (Phytophthora infestans) is gevreesd om de snelheid waarmee de ziekte zich in het gewas kan uitbreiden. Uitgaande van een schijnbaar onbetekenend niveau van aantasting kan een vatbaar gewas binnen een periode van twee weken volledig te gronde worden gericht. De schimmel tast alle boven­ en ondergrondse delen van de aardappelplant aan. Schade ontstaat door de vernietiging van het loof, waardoor het produktievermogen van het gewas wordt gereduceerd, en door aantasting van de knollen.

Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
Aantastingsbeeld

Blad
Op de blaadjes ontstaan lesies (bladvlekken).
Het uiterlijk ervan is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Onder vochtige omstandigheden begint een lesie als een waterige, niet scherp begrensde vlek van 1 tot 2 cm doorsnede. Bij doorvallend licht zijn vaak donkere, op kraaiepoten gelijkende figuren in de vlek zichtbaar. Op deze vlekken kan zich binnen enkele uren een dunne laag wit schimmelpluis vormen,
dat uit sporedragers en de zich daarop gevormde sporen bestaat.
Het komt meestal alleen aan de onderzijde van het blad voor. Onder voor de schimmel zeer gunstige omstandigheden kan ook schimmelpluis aan de bovenzijde van het blad ontstaan. Wanneer een blad ondersteboven heeft gezeten, kan het voorkomen dat het schimmelpluis alleen aan de bovenzijde van het blad voorkomt. Binnen één dag verkleurt het sporulerende gedeelte van de lesies via lichtgroen (chlorose) naar bruingrauw of donkerbruin en verdwijnt het schimmelpluis. Lesies zijn nu zichtbaar als scherp begrensde, onregelmatig ronde vlekken. Omdat de schimmel voortgaat met aantasting ontstaat rond het afstervende weefsel een zone van 0,5 tot 1 cm breedte van waterig of chlorotisch weefsel, waarop zich weer sporulerend schimmelpluis vormt. Dit proces kan zich herhalen totdat het gehele blaadje is aangetast of totdat het blad afsterft. Onder voor de schimmel minder gunstige omstandigheden, zoals hoge temperaturen (> 25 °C), droogte of een minder gevoelig ras, kan de verbruining van aangetast weefsel eerder beginnen. Ook kan de vorming van schimmelpluis verminderd zijn of achterwege blijven en is de lichtgekleurde zone van nieuw aangetast weefsel veel minder breed of afwezig. In dit stadium is de ziekte moeilijk te onderscheiden van grauwe schimmel, Alternaria of verdorring door de verwelkingsziekte. In geval van twijfel enige blaadjes met lesies in een vochtige plastic zak wegleggen bij kamertemperatuur. Na 24 uur moet er wit schimmelpluis zichtbaar zijn als Phytophthora in het spel is.

Stengel
Op de stengel komen grote langwerpige grauwbruine tot bruinzwarte lesies voor, die de stengel omvatten. Onder vochtige omstandigheden wordt hierop sporulerend schimmelpluis gevormd. Stengellesies ontstaan vroeg in het seizoen meestal van uit bladoksels, wanneer sporen in bladoksels kiemen en deze binnendringen. Ze komen relatief vaak voor in het begin van de aantastingsperiode, wanneer de gewassen nog niet volledig gesloten zijn. In dergelijke gewassen blijven de bladoksels langer vochtig dan het blad en dus is er meer kans op infecties in de oksels. Ook bij lage temperaturen in het begin van het seizoen ontwikkelt de schimmel zich traag en groeit vanuit aangetast blad de stengel binnen. In tegenstelling tot bladlesies kunnen stengellesies lang voortbestaan en daardoor kan het voorkomen dat er op bepaalde momenten meer stengellesies aanwezig zijn dan bladlesies. Plantedelen boven deze lesies vertonen vaak vergeling en knijpen van de bovenste bladeren. Door de brosheid van de aangetaste weefsels breken stengels ter plaatse van stengellesies gemakkelijk af.

Knol
Via lenticellen, ogen en barstjes in de schil worden de knollen geïnfecteerd. De aantasting begint als blauwachtige, door de schil schemerende vlekjes.
Met het uitbreiden van de lesies wordt de schil bobbelig en verkleurt het aangetaste weefsel naar roestbruin. Tussen roestbruin gekleurde enigszins draadvormige structuren komen eilandjes van schijnbaar normaal weefsel voor. De aantasting kan zowel oppervlakkig als diep zijn. Besmetting gebeurt zowel tijdens het groeiseizoen als bij het rooien. Bij bewaring ontwikkelt de ziekte zich verder, maar de ziekteverwekker kan, op een enkel ras na, geen gezonde knollen aantasten. Vaak gaat aantasting over in droog­ of natrot. Het natrot kan daarop overgaan op gezonde knollen. Knolaantasting ontstaat vooral op natte en zwaardere gronden en is relatief veel minder belangrijk op zandgronden.
De verschijnselen van knolaantasting kunnen worden verward met die van aaltjesrot, "pink-eye", virusziekten (tabaksratelvirus) en beschadiging door onkruidbestrijdings­ en doodspuitmiddelen.

Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
Levenswijze

P. infestans overleeft ongunstige perioden zoals koude winters of droge hete zomers als schimmeldraden in de waardplant (aangetaste knollen, stengels, tomatevruchten) of sinds kort als een speciale rustvorm, oösporen genaamd, die geslachtelijk gevormd worden. In deze vormen wordt de schimmel ook verspreid. Massale verbreiding van de ziekte te velde geschiedt door middel van ongeslachtelijke sporen, zoosporangiën genaamd, die met de wind of opspattende regendruppels verspreid worden. Deze sporen kunnen direct kiemen of eerst een aantal zwemsporen vormen. Kieming van sporen en infectie geschiedt alleen in water. Er is dus dauw of regen nodig. Aangezien de kiemtijd ongeveer drie uur bedraagt en de binnendringingstijd nog eens twee tot drie uur, is een bladnatperiode van minimaal vijf uur vereist voor infectie. Bij temperaturen tussen de 15 en 20 °C duurt de cyclus van spore naar lesie tot een nieuwe generatie van sporen vier tot vijf dagen. Bij temperaturen boven 25 °C staat de groei stil. Kennis van dit soort zaken evenals die van temperaturen waarbij de schimmel meer of minder groeit en van de relatieve luchtvochtigheid waarbij wel of geen sporulatie optreedt wordt gebruikt om de te verwachte uitbreiding van de ziekte te relateren aan de voorbije en te verwachten weersomstandigheden. Op grond daarvan worden adviezen voor de bestrijding gegeven. De duur van hoge luchtvochtigheid en van vrij water op het blad bepaalt de uitbreiding van de ziekte in een gewas. Globaal kan men zeggen dat bij een vatbaar ras, waarin de ziekte voorkomt en dat niet behandeld is met een fungicide dat:
  1. een periode van 14 uur met een hoge luchtvochtigheid en enige uren van vrij water op het blad kans geeft op enige nieuwe infecties,
  2. een periode van 16 uur met dezelfde situatie kans geeft op vrij veel nieuwe infecties,
  3. massaal infectie optreedt bij 24 uur hoge luchtvochtigheid en het blad vochtig is.
Tot voor kort overwinterde de schimmel in Nederland alleen in zieke knollen. Deze knollen komen na het sorteren op afvalhopen terecht of worden bij een lichte aantasting gepoot. Zieke knollen van vatbare rassen kunnen onder bepaalde omstandigheden soms een zieke plant geven; het begin van een haardje. Vanuit deze haardjes verspreidt de ziekte zich in mei/juni over het land. Nu recentelijk ook oösporen zijn gevonden, moeten we aannemen dat in het voorjaar ook besmetting vanuit de grond, waarop zieke planten hebben gestaan, kan plaatsvinden. Vooral in gevallen met nauwe vruchtwisseling en daar waar de ziekte niet wordt bestreden, is het waarschijnlijk dat de ziekte in de toekomst eerder zal optreden. Vele aan de aardappel verwante plantesoorten zijn waardplanten voor P. infestans. Voor Nederland is de ziekte voor tomaten in ongestookte kassen en buitenteelten dermate schadelijk dat deze teelt op commerciële basis vrijwel niet meer voorkomt. Soms wordt de ziekteverwekker op bitterzoet aangetroffen.

Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
Voorkomen/bestrijden

Ontstaan epidemie
Geen zieke knollen poten en voorkomen dat op afvalhopen aardappelopslag tot ontwikkeling komt. Bij voorkeur rassen telen met zowel loof- als knolresistentie. Indien reeds vroeg in het seizoen, terwijl de ziekte in de streek nog niet is waargenomen, in een perceel één of twee haardjes met zieke planten worden gevonden en de rest van het perceel nog gezond is, de haardjes grondig doorspuiten. Het perceel en de overige percelen met vatbare rassen preventief behandelen met een contactfungicide. De randen van de haardjes extra zorgvuldig behandelen. Vooral op planten die lang vochtig blijven, onstaan gemakkelijk haarden. Blaadjes die bedekt zijn met een fungicide worden niet geïnfecteerd. Opslag van aardappelplanten in de omgeving vernietigen.

Tijdens epidemie
Preventief blijven spuiten met contactfungiciden. Als het gewas is aangetast eventueel een curatieve behandeling toepassen met systemisch middel. Risico is dat er resistente stammen tegen het middel ontstaan of reeds aanwezig zijn.
De frequentie van gewasbehandeling aanpassen aan de ontwikkeling van de epidemie, het weer, gewasgroei en vatbaarheid van het ras.

Voorkomen van knolaantasting
Overweeg, zodra de meeste planten enige zieke blaadjes hebben, het loof dood te spuiten. Dit is vooral van belang op vochtige, zware gronden. Zorg voor voldoende hoge ronde ruggen waardoor de knollen goed met grond zijn bedekt en het regenwater er vlot afloopt. Onder vochtige omstandigheden niet looftrekken als de ziekte in het loof voorkomt. Rooien onder natte omstandigheden van percelen met ziek loof vergroot de kans op natrot. Partijen met aangetaste knollen snel drogen.



(Bron: Aardappelziektenboek, Aardappelwereld BV - L.J. Turkensteen)

Algemeen | Aantastingsbeeld | Levenswijze | Voorkomen/Bestrijden | Foto's
Foto's
  1. Necrotische vlekken op blaadjes ontstaan door Phytophthora.
  2. Aan de onderkant van de blaadjes wit schimmelpluis van Phytophthora aan de rand van de bladvlekken.
  3. Detailfoto van schimmelpluis (sporendragers)
  4. Stengel op twee plaatsen aangetast door Phytophthora (witte stipjes op sommige bladeren wijzen op beschadiging door cicaden)
  5. Begin van knolaantasting door Phytophthora.
  6. Knol geheel aangetast door Phytophthora.
  7. Oösporen in en sporendragers op ziek blad (vergroot).
  8. Opslag van aardappelen op een afvalhoop.
  9. Doodgespoten Phytophthora-haardjes in een nog niet helemaal gesloten gewas.
  10. Haard van Phytophthora in de schaduw van een bomenrij.
© Agris, 2000 Vragen, opmerkingen of suggesties kunt u altijd mailen naar info@agris.be