Page d'accueil
  Salon virtuel de l'Agriculture et de l'Alimentaire
    Découvrez plus de 900 entreprises en quelques clics...
Info@sivaal.com       
Naamkaartje Titel : Verwarring rond Engels scrapie-rapport
Société : Fiche de démonstration
Dominique Thyrion
12, Rue du cimetière
1350Orp Jauche
Belgique
Tel : ++.32.19.63.28.83 , Fax : ++.32.19.63.28.84
E-mail
http://www.agris.be
Fiche entreprise

Op 11 september 2003 publiceerde VLA, een onderzoeksinstituut uit het Verenigd Koninkrijk, de resultaten van een onderzoek naar de mate van voorkomen van scrapie in dat land. Dit leidde tot verwarring in de internationale pers. Ook in de Nederlandse landbouwpers verschenen artikelen die voor onduidelijkheid zorgden. "Heerst er dan toch BSE onder de 40 miljoen schapen die in het Britse land rondlopen?" was de inleiding van één van de Nederlandse artikelen. Met de zin "In acht gevallen ging het om dieren waarvan op grond van het genotype werd verwacht dat ze de ziekte niet konden krijgen", werd de suggestie gewekt dat er sprake was van scrapie bij acht ARR/ARR-dieren en dat er mogelijk BSE bij schapen was aangetroffen.

Geen scrapie bij ARR/ARR
De suggesties hadden meer te maken met sensatie dan met een interpretatie van de feiten uit het rapport. Op grond van slachtlijnonderzoek met een snelle scrapietest zijn schapen als verdacht aangemerkt. De snelle test geeft een eerste indicatie (verdenking), uit het bevestigingsonderzoek moet blijken of het werkelijk om scrapie gaat. Eén van de in het Verenigd Koninkrijk gebruikte testen is niet voor schapenweefsels gevalideerd (Biorad Platelia ELISA).
Bij het bevestigingsonderzoek bleek dat geen scrapie kon worden aangetoond bij 28 van de 52 verdenkingen op basis van de Biorad-test. Acht van deze 28 dieren hadden het genotype ARR/ARR en bleken dus geen scrapie te hebben. Kortom: tot op heden is ook in het Verenigd Koninkrijk nog nooit scrapie aangetoond bij schapen met het ARR/ARR-genotype.
Omdat we als GD op basis van deze artikelen de nodige telefoontjes kregen, hebben we besloten de inhoud van het rapport hier verkort weer te geven.

VLA-rapport
Het VLA-rapport geeft een schatting van de mate van voorkomen van scrapie in het Verenigd Koninkrijk op basis van verschillende bronnen:
Het aantal meldingen van scrapieverdachte gevallen: scrapie is in de EU aangifteplichtig geworden in 1993. Tussen januari 1993 en december 2002 werd in het VK scrapie bevestigd in 4142 schapen van 1571 bedrijven en in acht geiten van acht bedrijven. Uit dat onderzoek komt het volgende overzicht van de relatie tussen de leeftijd van optreden van scrapie en het genotype

Een onderzoek aan de slachtlijn, uitgevoerd tussen januari 2002 en maart 2003, bij dieren van 18 maanden en ouder: zie onderzoek slachtlijn. Een onderzoek van gestorven dieren, ook uitgevoerd tussen januari 2002 en maart 2003. Op basis van dit onderzoek wordt geschat dat minimaal 0,39% van de schapenbedrijven besmet is met scrapie. Een anoniem uitgevoerde enquête onder schapenfokkers, uitgevoerd in 2002. Uit dit onderzoek komt naar voren dat 1% van de schapenhouders dacht in de voorafgaande 12 maanden minimaal één geval van scrapie te hebben gehad.

Onderzoek slachtlijn
Bij het onderzoek aan de slachtlijn werden in totaal 50.630 voor onderzoek geschikte monsters onderzocht. Dit leverde in totaal 67 (0,13%) besmette gevallen op. Tussen de beide delen waaruit dit onderzoek was opgebouwd liepen de resultaten behoorlijk uiteen: het eerste deel (in het rapport ‘brainstem survey’ genoemd) leverde een besmettingspercentage op van 0,20% en het tweede deel (de ‘head survey’ genoemd) een besmettingspercentage van 0,08%. Op basis van al deze gegevens komen de onderzoekers tot de conclusie dat 0,33% van de schapenpopulatie in het Verenigd Koninkrijk besmet is met scrapie, ofwel één op de 300 schapen heeft scrapie.
Het onderzoek vond in eerste instantie plaats met twee snelle testen: de Biorad Platelia ELISA en de Prionics Check western blot. Alle positieve gevallen die met deze beide testen boven water kwamen, werden vervolgens met officiële bevestigingstesten nader onderzocht.

Snelle niet-gevalideerde test oorzaak verwarring Met de snelle Prionics-test werden in 21.429 monsters in eerste instantie 28 positieve gevallen gevonden. Al deze gevallen werden met de officiële test bevestigd.
Met de snelle Biorad-test werden in 29.201 monsters in eerste instantie 52 positieve gevallen gevonden. Hiervan werden 24 gevallen met de officiële heronderzoeken bevestigd. De andere 28 werden niet bevestigd. De discussie die in de pers is verschenen heeft betrekking op deze 28 niet bevestigde gevallen. Van deze 28 gevallen hadden er namelijk acht ARR/ARR als genotype en op basis daarvan verscheen in de Nederlandse pers een artikel met de volgende opmerking: "In acht gevallen ging het om dieren waarvan op grond van het genotype werd verwacht dat ze de ziekte niet konden krijgen." Daarmee werd de suggestie gewekt dat er sprake was van scrapie bij acht ARR/ARR-dieren. De auteurs van het VLA-rapport hebben van tevoren rekening gehouden met deze suggestie. Ze geven duidelijk aan dat het om niet bevestigde gevallen gaat en bovendien zeggen ze over de Biorad-test in het rapport het volgende: "However, it should be pointed out that the Biorad Platelia test has not been formally validated for use in sheep tissues." (Vertaling: Echter, er moet op worden gewezen dat de Biorad Platelia test formeel niet gevalideerd is voor gebruik in weefsels van schapen).

Scrapie en genotype
Het VLA-rapport laat in een aantal overzichten een hele aardige verdeling van de verschillende genotypes zien die bij onderzochte dieren werden aangetroffen. Naar aanleiding van klinische verdenkingen werd in de periode 1998-2002 van 1763 besmette gevallen het genotype bepaald. In één geval ging het om een dier met ARR/AHQ en in zes gevallen om dieren met genotype ARR/ARQ. In 1320 gevallen ging het om dieren met minimaal eenmaal VRQ in het genotype. Bij geen enkel bevestigd geval werd het genotype ARR/ARR aangetroffen. Bij het hierboven uitgebreid beschreven onderzoek waren in totaal bijna 10.000 ARR/ARR dieren betrokken.

Nader onderzoek
Het is op dit moment niet duidelijk waarom de resultaten van de beide gebruikte testen zo uiteenlopen en met name waarom in 28 gevallen de positieve Biorad-resultaten niet konden worden bevestigd door officieel goedgekeurde bevestigingstesten. Na het uitkomen van het VLA-rapport op 11 september 2003 heeft, op verzoek van DEFRA (het ministerie van landbouw in het Verenigd Koninkrijk) en de FSA (de Food Standards Agency, de Engelse Voedsel en Waren Autoriteit), op 17 september een groep deskundigen zich over deze materie gebogen en het volgende gerapporteerd:

-het is niet mogelijk nu al conclusies te trekken
-er is verder onderzoek nodig, waaronder infectieproeven in schapen en muizen
- op basis van de beschikbare gegevens komen de deskundigen tot de conclusie dat de 28 gevallen verschillen van bekende experimentele BSE-gevallen bij schapen.
Met deze conclusies is voorlopig een eind gekomen aan de verwarring die het gevolg was van het niet goed lezen van het VLA-rapport.

2003-10-18 -GD